nieuws

Duitsland voorbeeld voor Nederland

bouwbreed Premium

In Duitsland is de veiligheid van wegwerkers voor een zeer groot deel een zaak van werknemers en werkgevers gezamenlijk. Ook controle van werkvakken is hun taak, overigens nadat de politie in eerste instantie een wegafzetting veilig heeft verklaard.

Dit bleek gisteren tijdens het tweedaagse congres van de Europese Federatie van Bouw- en Houtarbeiders in Maastricht. De EFBH praat met de vijf bouwbonden uit Duitsland, België en Nederland over nauwere samenwerking. Een van de punten waarop de bonden dat concreet willen maken is afstemming van de veiligheid van wegwerkers. Waar in Nederland en België praktisch alle zegen van de overheden wordt verwacht, zijn het in Duitsland de beroepsgenoten die veiligheid hoog in het vaandel hebben staan, zo bleek uit de woorden van de vice-voorzitter van IG Bau E.L. Laux. Zogenoemde ‘Berufsgenossenschaften’, paritair samengestelde commissies, houden zich bezig met het opstellen van veiligheidsvoorschriften voor de verschillende werkzaamheden in de bouw. Die voorschriften moeten worden nageleefd bij de uitvoering. De commissies hebben zelf inspecteurs in dienst die dat controleren op de bouwplaats. Die inspecteurs kunnen ook door werknemers worden gebeld die menen dat er zaken niet in orde zijn. Daarvoor al wordt bij wegwerkzaamheden door de politie bekeken of de veiligheidsmaatregelen ook inderdaad deugdelijk zijn. Zodra de politie een werkvak veilig verklaart, is de overheid overigens direct verantwoordelijk voor de veiligheid, ook financieel. Gevolg van deze werkwijze is dat de Duitse cao’s praktisch geen veiligheidsafspraken bevatten, in tegenstelling tot in Nederland en België.

Weerbarstiger

“Deze aanpak heeft geleid tot een afname van het aantal ongevallen met wegwerkers, behalve in Oost-Duitsland”, zei Laux. Hij moest overigens wel toegeven dat de praktijk ook in Duitsland soms weerbarstiger is dan de theorie. “Juist als het gaat om signalering van misstanden door werknemers zelf, schort er nog wel wat aan. Die denken het werk wel even snel af te kunnen maken, ook al deugt de afzetting niet.” België heeft ongeveer dezelfde problemen als Nederland, zij het soms nog sterker. Heel veel werken moeten in het weekeinde en ’s nachts worden uitgevoerd. “De overheid heet meer bekommernis met het comfort van de weggebruiker dan van de wegwerker”, aldus het hoofd van de studiedienst van het Belgische ACV Bouw en Industrie P. Franceus. Kwalijker vond hij dat de werktijden vaak veel te lang zijn. Zo’n 10 procent van de wegwerkers is stelselmatig langer dan tien uur in touw. “Met alle gevolgen van dien voor de concentratie en daarmee de veiligheid .” Hij vond het dan ook geen wonder dat het imago van werken aan de weg slecht is. Uit een door ACV gehouden enquête blijkt dat 60,5 procent van de wegwerkers zelf de sector niet aantrekkelijk voor jongeren noemt. Met enige jaloezie in de stem verkondigde Franceus dat Nederland en Duitsland het maar gemakkelijk hebben om met de rijksoverheid te praten. “U heeft maar te maken met één minister. Wij met vier, één federale en drie regionale – Vlaanderen, Wallonië en Brussel.”

Gecoördineerd

Ondanks de verschillen waren alle bouwbonden het eens over een aantal zaken. Zo moet de veiligheid van wegwerkers uit de concurrentiesfeer worden gehaald. Dat zou kunnen door in de prijs van werken de veiligheidsmaatregelen buiten beschouwing te laten. In EFBH-verband gaan de bonden exact op een rijtje zetten wat nodig is voor een gemeenschappelijke, of in ieder geval meer gecoördinerende aanpak in de drie landen.

Reageer op dit artikel