nieuws

Ook meerwerk moet worden aangenomen

bouwbreed Premium

De aannemingsovereenkomst is een wederkerige. Wat een wederkerige overeenkomst is, staat sinds 1992 in het nieuwe Burgerlijk Wetboek (BW): in zo’n overeenkomst neemt elk van beide partijen een prestatie op zich. Zo verplicht de verkoper zich tot levering en de koper tot betaling. Een aannemingsovereenkomst komt dus pas tot stand nadat de bouwopdracht gevolgd is door de aanvaarding ervan of als het aanbod van de aannemer door een ander wordt aanvaard.

Het verschil tussen wederkerige en eenzijdige overeenkomsten (zoals de schenking) is vooral van belang in verband met de in de wet geregelde mogelijkheid voor elk van beide partijen om de nakoming van zijn verplichting op te schorten als zijn wederpartij de zijne niet nakomt. Een nog verregaande consequentie van een wederkerige overeenkomst is dat de wanprestatie van de een, de ander bevoegd maakt de over eenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden.

In het volgende geval had de koper/aanbesteder van een woning wel in de gaten dat er onder de door hem gesloten koop-/aannemingsovereenkomst zowel zijn handtekening als die van zijn verkoper/aannemer nodig waren om haar tot een wederkerige overeenkomst te maken. Maar dat het door hem opgedragen meerwerk net zo goed pas een overeenkomst zou worden zodra daarover met zijn wederpartij overeenstemming was bereikt, had hij zich waarschijnlijk niet gerealiseerd.

Ondernemer

In juli vorig jaar was door hem onder de Garantieregeling van het GIW met ‘de ondernemer’ overeenstemming bereikt over de bouw van een vrijstaande woning voor de prijs van 699.000 gulden. Behalve de Algemene Voorwaarden, die bij deze overeenkomst behoren, was dus ook de GIW-garantie en waarborgregeling van toepassing verklaard. Voor eventueel meerwerk gold een regeling die bij de overeenkomst was gevoegd.

Tijdens de bouw van zijn huis vroeg de aanstaande eigenaar om een keukenmuur te verplaatsen. Dat kan, antwoordde de ondernemer en wel voor een prijs van 12.000 gulden. Dat vond de opdrachtgever een onaanvaardbaar hoog bedrag. Hij liet zijn gemachtigde een brief schrijven, waarin ‘de ondernemer’ werd gesommeerd het opgedragen meerwerk uit te voeren voor 3000 gulden. De reactie van de ondernemer hierop was begrijpelijk. Bij gebrek aan overeenstemming over de meerprijs ging hij gewoon door met de bouw zonder de keukenmuur te verplaatsen.

Dat was voor de koper/aanbesteder voldoende reden om met een eis in kort geding aan de Raad van Arbitrage te vragen om zijn wederpartij te verplichten “rekening te houden met het overeengekomen meerwerk”. Hoe de juriste, die optrad als zijn gemachtigde, met zo’n onzinnige eis kon komen, is niet duidelijk. Er was immers geen sprake van een overeenkomst over de verplaatsing van de muur en zij zal toch ook wel geleerd hebben dat die er pas is als de opdracht daartoe aanvaard is.

De scheidsman van de raad hoefde geen rechten gestudeerd te hebben om deze eis af te wijzen, al deed hij dat meer met een bouwkundige dan met een juridische motivering.

Verwijt

Niet zo zeer het feit dat er geen overeenstemming bereikt was over dit meerwerk, maar de door hem als terecht beoordeelde weigering om de muur te verplaatsen, was voor hem doorslaggevend voor zijn afwijzing. Die weigering was terecht, zo vond onze scheidsman, omdat de draagconstructie van de woning niet gewijzigd mocht worden. Dat deze ‘ondernemer’ daartoe wel degelijk in staat was (zij het tegen een veel hogere prijs) betekent mijns inziens dat de reden voor zijn weigering niet gelegen was in de onmogelijkheid de draagconstructie te veranderen. Dat was best mogelijk zo had hij laten weten, alleen hing daar een prijskaartje aan.

Het enige verwijt, dat ook volgens de arbiter, aan de ondernemer gemaakt zou kunnen worden, was dat hij de kopers niet genoeg had doordrongen van de constructieve problemen die een verplaatsing van de keukenmuur met zich meebracht. Hij had volstaan met de mededeling dat de verplaatsing constructief een probleem zou opleveren. Op de zitting werd dat aan de arbiter duidelijk gemaakt. Om het verplaatsen van de muur op te vangen zou een extra portaal van stalen balken in de draagmuur aangebracht moeten worden. Dat was natuurlijk ook de reden van de relatief hoge meerwerkprijs.

Een telefoontje had dat ook duidelijk kunnen maken voordat besloten werd tot een kort geding. Dit verloren kort geding kostte de eiser overigens 4000 gulden en dat is nog eens 1000 gulden meer dan het bedrag waarvoor hij de keukenmuur verplaatst had willen zien.

(BR 2000 p.254)

Mr. Math Verstegen

Reageer op dit artikel