nieuws

Met regels valt niet te spotten

bouwbreed Premium

Het Bouwbesluit is weer een regel rijker. Vanaf 2002 worden rookmelders in nieuwbouw verplicht. Onredelijk? Nee, geen enkele regel in het Bouwbesluit is onredelijk. Maar dat maakt het niet minder complex en onmogelijk te handhaven. Staatssecretaris Remkes (VROM) mag de mond vol hebben over vermindering van regelgeving, het stelsel dijt uit waar hij bij staat. Fundamentele keuzes zijn nodig.

De hal van het ministerie van VROM is versierd met foto’s die ironisch commentaar leveren op de vele regels die ons leven in goede banen moeten leiden. Dat is prijsschieten natuurlijk, want, ja, het zal niet iedereen duidelijk zijn waarom oranje gebak niet verkocht mag worden behalve op koninginnedag.

Bij nader inzien zijn de meeste regels echter niet onredelijk. Geen vuilnis op straat, geen riool lozen in de sloot, geen bomen kappen _ er mag een hoop niet, maar zijn deze voorschriften onredelijk of onnodig? Stap twee is allicht dat ze dan ook nauwkeurig moeten zijn. Een boom is een boom als de stam dikker is dan vijfentwintig centimeter.

De verplichte rookmelder is weer een regel erbij. Op aandringen van de brandweer, die blijkbaar zo overtuigend was, dat zelfs mister deregulering himself, staatssecretaris Remkes, invoering van deze nieuwe regel niet heeft willen tegenhouden.

Het illustreert een onontkoombaar fenomeen: naarmate de economie zich ontwikkelt, nieuwe producten voortbrengt en nieuwe mogelijkheden, moet steeds meer geregeld worden. Het is een illusie te denken dat daar een halt aan toe te roepen is. Groei brengt regels voort. En door de bank genomen heeft elke regel zijn nut en redelijkheid. Zelden is het vakidiotie.

Veiligheid

Maar is het voorschrijven van rookmelders niet overdreven bemoeizucht? De overheid kan deze keuze ook aan de burgers zelf overlaten. Nieuwbouw is niet zo brandgevaarlijk, dat ingrijpen nodig is.

Een mooie paradox. Want die veiligheid is te danken aan de al bestaande regels.

Onomstreden is dat de overheid veiligheid en gezondheid bewaakt. Daar zijn strikte regels voor nodig. De foto’s bij VROM mogen er een grapje van maken dat zelfs de profieldiepte van onze autobanden tot op de millimeter is voorgeschreven, met het belang van dit soort regels voor veiligheid en gezondheid valt in wezen niet te spotten. Ze zijn nodig.

Moet het Bouwbesluit zich echter ook uitspreken over bruikbaarheid? Moeten alle trapjes voor voordeuren verboden worden omdat rolstoelen er anders niet in kunnen? Bij bestaande woningen maakt niemand zich daar druk om.

Maar als je in rolstoel terechtkomt en alle deuren in alle woningen blijken te smal, dan verwens je toch dat niemand daar nu ooit aan gedacht heeft.

Laat je functionaliteit geheel aan de markt over, dan krijg je het plafond-effect: zodra de regelgeving begin jaren negentig werd versoepeld, werden de plafonds in woningen lager hoewel iedereen wist dat toekomstige generaties steeds langer worden. Kortetermijngewin telt in de woningmarkt meer dan bruikbaarheid op langere termijn. Daarom moet de overheid regelend optreden.

De woningmarkt werkt namelijk niet als andere markten. De keuzevrijheid van consumenten zal altijd beperkt blijven, omdat tijd en plaats zijn keuze limiteren. Aan een woning zit je voor langere tijd vast en niet elke plek kan het complete scala aan woonmogelijkheden bieden. Dus enige regelgeving om een minimum aan functionaliteit te verzekeren is niet onredelijk. Het is een illusie om te denken dat snoeien in die regelgeving veel winst oplevert.

Formulering

Is deze veelheid aan regels een probleem, ernstiger is de gebrekkige inzichtelijkheid van de manier waarop ze zijn geformuleerd. Het Bouwbesluit schrijft geen specifieke oplossingen voor, het verlangt slechts bepaalde prestaties _ hoe die bereikt worden, is naar keuze van de ontwerper.

Dus staat er niet, zoals in het krantenbericht: “In nieuwbouw moeten rookmelders komen.” Het zal veel abstracter, om niet te zeggen cryptischer zijn, dat er een voorziening moet komen die binnen een bepaald tijdsbestek auditieve waarschuwingssignalen afgeeft, binnen nader gegeven marges van decibellen en frequenties, in zekere vertrekken van een gebouwen, die per type nader worden aangeduid, na het ontstaan van een nader te berekenen grenswaarde van hitte, met verwijzing allicht naar de nodige NEN-normen waarin de berekeningswijzen staan uitgespeld.

Dit is een poging om keuzevrijheid te scheppen binnen nauwkeurig te bepalen grenzen. Een alleszins begrijpelijk streven, want aan regels zonder grenzen heb je niets en regels zonder vrijheid veroorzaken verstarring. Toch maakt dit voorbeeld duidelijk dat op deze manier, op den duur, de regelgeving aan zichzelf ten onder moet gaan: het wordt te onoverzichtelijk door de uitdijende veelheid aan onderwerpen en te complex door de wijze van formuleren.

Te complex voor wie? De ontwerper op de eerste plaats. Maar die kan er nog aan ontsnappen door er een loopje mee te nemen. Het cruciale knelpunt is de handhaving, zoals uit de recente berichten over falend bouw- en woningtoezicht ook blijkt. Zonder handhaving zijn regels loos. Althans, ze dienen dan slechts als een omslachtige indekking tegen claims in een voortgaande juridisering van de bouw.

Kan het minder omslachtig? De hierboven geschetste vereenvoudigingen zullen weinig opleveren. Maar misschien biedt de praktijk een uitweg. Het merkwaardige is namelijk dat niet slecht gebouwd wordt, ondanks de moeilijk te hanteren en handhaven regelgeving. Er heeft zich eenvoudigweg een ‘common practice’ gevormd, een algemeen als ‘goed’ geaccepteerde wijze van werken, die slechts globaal gerelateerd is aan de regelgeving.

Niemand rekent nog alles na. BWT heeft niet eens alle normen in de kast staan! Het is een bepaalde stand van zaken in de praktijk _ ‘zo doen wij dat’ _ die de norm stelt.

Laten we dat als uitgangspunt nemen: de globale interpretatie. Die dan ook gebaseerd kan worden op veel globaler geformuleerde regels. Bij de beoordeling van wat ‘goed’ is ligt de nadruk dan niet langer op een (loos) kengetal maar op wat redelijk en billijk is in het maatschappelijk verkeer. In de praktijk en in een voortgaand maatschappelijk debat kan zich flexibel ontwikkelen wat ‘goed’ betekent.

Het juridisch perspectief verandert daarmee fundamenteel. Jurisprudentie krijgt de nadruk, met rechters in een veel inhoudelijker rol. Zij klagen daar nu al over; dat zij als het ware wetgeving moeten vaststellen vinden zij oneigenlijk gebruik van de rechtspraak. Want het probleem speelt op vele fronten. Laten we het systeem daar dan ook maar op inrichten!

Producenten gaan nu op het minimum zitten of glippen door de mazen van de wet. Als de wet geen minimum stelt en zo globaal is dat er geen mazen zijn, moet iedereen in het veilige midden gaan zitten. Een loopje ermee nemen geeft het risico van een afstraffing door de rechter/arbiter. De zorgvuldigheid van bouwen hangt dan niet af van steeds gedetailleerdere regels die niet meer te controleren zijn, maar van de maatschappelijke druk van wat als gewenst wordt beschouwd.

Laten we die globale praktijk erkennen en als uitgangspunt nemen. Want, inderdaad, zoals Remkes in zijn brief over verbetering van het BWT ook constateerde: we bouwen niet slecht. Waarom zou je dan al die complexe regels op je hals halen?

Ironische noot bij de tentoonstelling in de hal van VROM over regelgeving: de opening door dominee Gremdaat, alias Paul Haenen. Foto: ANP

‘Het is illusie dat snoeien in regels veel oplevert’

Reageer op dit artikel