nieuws

Toetsing van integriteit standaardiseren

bouwbreed Premium

Fraude maakt veel los. Normen en waarden zouden vervagen en er wordt jacht gemaakt op alles wat niet integer lijkt. Daarnaast steekt de angst voor juridisering ofwel ‘Amerikaanse toestanden’ de kop op.

De bedoeling van het wetsontwerp BIBOB is de overheid een instrument in handen te geven om eerst te bezien of een bedrijf zuiver op de graad is, alvorens er een grote opdracht aan te gunnen. In de praktijk betekent dit dat elk bedrijf dat in de laatste ronde voor de gunning zit, zich moet onderwerpen aan een screening door de BIBOB-commissie.

Dat brengt vele bezwaren met zich mee.

1. Er komt een aanzienlijke verzwaring in administratieve lasten.

2. Men stuit op problemen rond de privacy-wetgeving.

3. Het is niet duidelijk welke van de bevoegde instanties haar gegevens ter inzage zou moeten verstrekken aan de BIBOB-commissie.

4. Het betreft alleen overheidsopdrachten, zodat de BIBOB-wet niets zou doen aan fraudepreventie in bedrijfstakken die weinig of niet afhankelijk zijn van overheidsgunningen.

5. De wet valt alleen binnen de eigen landsgrenzen uit te voeren, wat een probleem kan opleveren bij Europese aanbestedingen.

Er kleven dus nogal wat bezwaren aan het wetsontwerp. Intussen dringt de wenselijkheid van integere bedrijfsvoering wel steeds dieper door in het maatschappelijk denken.

Amerika

Het denken over fraude en integriteit begon in feite in de Verenigde Staten. Zo’n twintig jaar geleden nam daar de Senaat een wet aan waardoor het strafbaar werd buitenlandse ambtenaren van steekpenningen te voorzien. Omdat daardoor de concurrentiepositie van de Verenigde Staten ernstig werd aangetast – sommige economen begroten de gemiste opdrachten op zestig miljard gulden op jaarbasis – hebben de Amerikaanse politici lang en intensief gelobbied deze wetgeving via de OESO internationaal geratificeerd te krijgen.

Nederland tekent in de loop van dit jaar en is daarmee een van de hekkensluiters. Dan heeft tachtig procent van de wereldhandel het verbod op buitenlandse steekpenningen onderschreven. Een belangrijke stap voorwaarts uit het ‘prisoner’s dilemma’: geef ik geen steekpenning, dan krijg ik de opdracht niet en doe ik mijn personeel en bedrijf tekort; geef ik wel steekpenningen dan handel ik niet integer.

Met de ratificatie van het OESO-verdrag is dit probleem als het goed is uit de wereld. Het eigen integer handelen is daarmee min of meer gewaarborgd. Om nu zekerheid te verschaffen over de integriteit van potentiële contractpartners, wordt op dit moment in ons land nagedacht over zaken als BIBOB.

Maar de Amerikanen zouden de Amerikanen niet zijn als ze het hierbij zouden laten. Criminal auditing, ofwel de toetsing van een bedrijf op integriteit door een onafhankelijke buitenstaander, is daar al veel meer ingeburgerd dan hier. Er bestaat dan ook een uitgebreide jurisprudentie rond dit onderwerp, waardoor een groot deel van de bedrijven zich genoodzaakt heeft gezien zich juridisch zoveel mogelijk in te dekken tegen mogelijke aanklachten.

Criminal Audit

Directeur B.W.M. van der Lugt van de divisie Forensic Services van Deloitte & Touche schat het aantal Amerikaanse bedrijven dat een zogenaamde ‘Code of Conduct’ heeft op tachtig procent. De forensisch onderzoeker houdt zich bezig met het verzamelen, controleren en analyseren van (financiële) gegevens. Dit alles om te komen tot een sluitende bewijsvoering van ongewenst financieel gedrag. Ook is Van der Lugt belast met criminal auditing.

Bij Forensic Services werken veel personen die afkomstig zijn van de politie. Van der Lugt, zelf voormalig officier van justitie, schat dat in Nederland een kleine veertig procent een dergelijk gedragscode kent. Volgens hem snakken Nederlandse ondernemers naar een zeker richtsnoer. Daarbij moet een gedragscode niet worden verward met harde wet- en regelgeving. De gedragscode staat als het ware een niveau boven de wetgeving: het zegt iets over normen en waarden. Die normen en waarden liggen weer ten grondslag aan de wet- en regelgeving.

Maar juist het breedgedragen gevoel over die normen en waarden is volgens Van der Lugt de laatste tijd een beetje aan het vervagen. Hij sprak onlangs een Limburgse aannemer die als een berg had opgezien tegen de kerstperiode. “De man zat elk jaar met het handen in het haar. Wat moest hij aan wie geven? Burgemeester A, die stelde een aardig gebaar wel op prijs. Zes flessen wijn. Burgemeester B, die leefde een groots leven. Daar kon hij niet aankomen met zes flessen wijn. Twaalf flessen champagne dus. Burgemeester C hield er strikte ideeën op na. Die kreeg dus niks. Hij vroeg aan mij: ‘Geef mij een handvat, geef mij duidelijkheid over wat nu wel kan en wat niet’.”

Voor Van der Lugt is het duidelijk. “Je moet erover praten. Je moet dit soort zaken uit de taboesfeer trekken.” Een gedragscode is volgens hem dan ook geen setje regels dat een keer wordt opgesteld en dat vervolgens onder in de bureaulade terecht komt. “Zoals de Engelsen zeggen: Code is nothing, but coding-.” Waarmee Van der Lugt aangeeft dat het niet de uiteindelijke regels zijn waarom het draait. Het is het hele proces, het traject dat een bedrijf aflegt om te komen tot een zekere gedragscode. Daarbij worden geen nieuwe normen en waarden verzonnen. Er wordt geïnventariseerd wat er al leeft bij een bedrijf.

“Het niveau van normen en waarden binnen een bedrijf is heel goed objectief meetbaar”, stelt Van der Lugt. Er wordt ook gesproken over de dilemma’s. Want dat is uiteindelijk wat zo’n gedragscode beoogt te doen: een handvat geven in geval van dilemma’s. “Het nare van een dilemma is dat je moet kiezen tussen twee kwaden. Maar met een gedragscode in de hand kun je achteraf wel verantwoording afleggen voor de keuze.” Het belangrijkste daarbij is openheid. Het moet binnen een bedrijf kunnen worden besproken of iemand een cadeau kan ontvangen. “En ook heel belangrijk is dat de baas zelf het goede voorbeeld geeft. Anders kun je codes opstellen wat je wilt, maar helpen doet het niet.”

Hypocrisie

Een standpunt waar J.P.M. Janssen, bestuursvoorzitter van het beursgenoteerde bouwbedrijf Heijmans, het roerend mee eens is. “Als je commitment van je medewerkers vraagt, moet je het zelf ook geven.” Maar daar houdt de saamhorigheid tussen hen dan ook wel op. Want Janssen is wars van alle codes en wetten. “Het is pure hypocrisie. Als jij een fraudeur bent, dan teken je die code en ga je schouderophalend verder met frauderen.” En het wettelijk regelen van integriteit ziet hij al helemaal niet zitten. “Opgeblazen gedoe uit Amerika. Die mensen durven zo weinig op hun eigen fatsoen te vertrouwen dat ze overal een wet voor moeten hebben. Dat moeten wij hier in Nederland toch helemaal niet willen.”

Volgens Janssen is het duidelijk. Integriteit is niet iets wat je als bedrijf of maatschappij kunt voorschrijven. Dat is iets wat je van huis uit meekrijgt. Bij Heijmans zijn ze gestopt met het uitdelen van flessen wijn. “Het hele budget voor dat soort cadeautjes gaat jaarlijks naar een goed doel.”

Meldpunt

Ook AVBB-voorzitter L.C. Brinkman ziet het niet zitten om bijvoorbeeld bouwbreed een aanzet te geven voor een gedragscode. “Dat is een open deur. Dat zou een heel duidelijk gebaar naar buiten toe zijn dat zegt ‘Ja, inderdaad, wij zijn fraudegevoelig, daar moeten wij wat aan doen’.”

Over het principe van criminal auditing laat Brinkman zich daarentegen zeer positief uit. Hij ziet het als prima alternatief op BIBOB. Brinkman acht het wenselijk de forensische accountantsverklaring te integreren in de ‘gewone’ accountantsverklaring. Dat zou de administratieve last tot een minimum beperken. Bovendien heb je dan te maken met harde criteria in plaats van halfzachte vermoedens en verdenkingen.

Daarmee laait ook de discussie over certificering weer op. Voordat sprake was van BIBOB, is er nagedacht over het opstellen van een integriteitskeurmerk. Problemen omtrent privacy hebben dit idee in de kiem gesmoord. Maar als BIBOB wordt doorgevoerd, of als criminal auditing wordt gestandaardiseerd, zien zowel Brinkman als Van der Lugt van Forensic Services er wel wat in om dit plan opnieuw uit de kast te halen.

Bovendien pleit Brinkman voor de invoering van een meldpunt fraude. “Dan zit in ieder geval de bewijslast weer goed in elkaar.”

‘Het niveau van normen en waarden binnen een bedrijf is heel goed objectief meetbaar’

Reageer op dit artikel