nieuws

Raad van Deskundigen voorkomt duur bezoek aan rechter

bouwbreed Premium

Bouwpartijen zijn slecht bekend met alternatieve manieren om geschillen te beslechten. Binnen dertig dagen knopen doorhakken, en weer verder met het karwei? Ja, dat kan. Tel de zegeningen van de Raad van Deskundigen (RvD).

Zelfs in de Beleidsbrief ADR (Alternative Dispute Resolution) 2000-2002 van de minister van justitie aan de Tweede Kamer van 19 november ’99 wordt geen melding gemaakt van de naar Angelsaksisch voorbeeld opererende Raden van Deskundigen. Deze omissie signaleert de bekende bouwrechtspecialist mr. J. Rozemond in de laatste uitgave van Bouwrecht. In een verhelderend artikel zet de vroegere Amsterdamse advocaat de voordelen van interventie door een Raad van Deskundigen (of Raad van Experts) af tegen de gang van zaken bij gewone arbitrage, en rechterlijke procedures.

Rozemond is een expert, één van de weinigen die ruime praktische ervaring heeft met het functioneren van Raden van Deskundigen (RvD’s). Hij is thans voorzitter van de RvD bij drie grote projecten: de Botlekspoortunnel, de Sophiatunnel en de Tunnel Tracé Sijtwende. Per project zijn de bevoegdheden en verplichtingen van de de RvD in afzonderlijke contracten tussen partijen vastgelegd. Rozemond geeft in zijn artikel concrete uitleg over de verschillen in de overeenkomsten.

Kosten

”In Angelsaksische landen is ADR heel gewoon. Omdat het aanzienlijk goedkoper is dan arbitrage. Door vergaande juridisering is arbitrage in die landen net zo’n molensteen-om-de-hals als litigation (procesvoering, red.). Onze gewone arbitrage lijkt in de praktijk meer op sommige vormen van de Angelsaksische ADR dan op de gewone arbitrage aldaar”.

Hoe een kostenvergelijking in Nederland uitvalt, weet Rozemond niet precies, maar het zou hem niet verbazen wanneer de kosten geen belemmering voor het instellen van een RvD hoeven te betekenen.

Groot voordeel van een RvD is de snelheid waarmee dit college een al dan niet bindend advies uitbrengt. Die snelle afhandeling is mogelijk doordat de leden van meetaf aan bij het project zijn betrokken; vóórdat er sprake is van een eventueel geschil. Zij wonen vergaderingen van partijen bij, stellen zich op de hoogte van het verloop van het werk, lezen alle documentatie over het project.

”Het feit dat een college van in het werk ingevoerde deskundigen een goed gemotiveerd oordeel heeft gegeven over een bepaald geschilpunt, heeft een belangrijke invloed op de opvattingen van partijen”, aldus mr. Rozemond.

Bindend

Buitenlandse statistieken laten zien, voert hij aan, ”dat er na een al of niet bindend advies van de DRB (Dispute Review Board) bijna nooit een beroep wordt gedaan op de rechter of arbiter”.

Rozemond trekt daaruit de conclusie ”dat men in een RvD-contract net zo goed kan kiezen voor een advies dat bindend ”.

”De keus voor de personen die in de RvD zullen zitten, is gemaakt op basis van overeenstemming, terwijl dat bij de gemiddelde advies procedure of arbitrage vaak niet zo is. Men heeft bij voorbaat vertrouwen in de RvD geïnvesteerd. Dan is het niet logisch dat partijen na het advies van de RvD de zaak vervolgens in handen geven van een college (bijvoorbeeld RvA of NAI) waar men slechts beperkte of geen invloed op de benoeming kan uitoefenen”.

Kiezen voor een bindend advies is volgens Rozemond logisch omdat de RvD nou juist bedoeld is om de voortgang van het werk te verzekeren. Moeten alle geschillen door de RvD worden berecht?, werpt de bouwrechtspecialist de vraag op hoe ver de bemoeienis van dit college zich uitstrekt. Hij verwijst naar de CROW-besprekingen over de concept UAV voor ‘design and construct’-overeenkomsten.

Acceptatie

Daarbij is het voorstel gedaan drie categorieën geschillen aan de RvD voor te leggen:

– geschillen over de vraag of de opdrachtnemer terecht uitvoering weigert te geven aan een door de opdrachtgever opgedragen wijziging;

– geschillen over de vraag of het besluit van de opdrachtgever om acceptatie – van ontwerpdocumenten, van delen van het werk, etc. etc. – te weigeren in redelijkheid genomen kon worden, en

– geschillen over de vraag of een prijsaanbieding van de opdrachtnemer als redelijk kan worden aangemerkt.

Rozemond laat er geen onduidelijkheid over bestaan hoe hij over dit voorstel denkt: ”Mij lijkt het niet verstandig de soort geschillen bij voorbaat te beperken. Men heeft nu eenmaal een aantal ingewerkte deskundigen beschikbaar en het zou onwijs zijn die te passeren”.

Reageer op dit artikel