nieuws

Slordigheden bij bestemmingsplannen

bouwbreed Premium

Zou het geen tijd worden dat bij onze gemeenten een ‘stappenplan’ wordt gemaakt, waarin duidelijk wordt aangegeven welke stappen bij en na het maken van een bestemmingsplan moeten worden genomen? Het komt zo vaak voor dat de bestuursrechter een gemeentelijk of provinciaal besluit moet vernietigen, dat daarvoor voldoende reden lijkt te bestaan. En omdat al onze gemeenten bestemmingsplannen moeten maken dan wel wijzigen, lijkt hier voor de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een taak te liggen.

Een dergelijk stappenplan zou ook de zwaar overbelaste Raad van State zaken besparen, zodat de afdeling bestuursrechtspraak zich met juridisch ingewikkelder vraagstukken kan bezighouden.

Hoe slordig gemeenten en provincies zijn als het gaat om het toepassen van wettelijke procedureregels, is voor de zoveelste keer gebleken uit een uitspraak van die afdeling van september1999. Drie belanghebbenden waren in beroep gekomen tegen de goedkeuring van het bestemmingsplan ‘Zuilen’. De gemeenteraad van Utrecht had op 30 oktober 1997 dat bestemmingsplan vastgesteld na het aanbrengen van wijzigingen in het B en W voorstel daartoe.

Bedenkingen

Noch de gemeente noch de provincie was op het idee gekomen nog even in de Wet op de ruimtelijke ordening te kijken of die iets zegt over het niet zonder meer overnemen van een concept-bestemmingsplan. Je hoeft toch geen jurist te zijn om te zien wat daar in het tweede lid van artikel 27 staat: “Voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, kan een ieder gedurende de in artikel 26 bedoelde termijn (vier weken, MV) bij Gedeputeerde Staten schriftelijk bedenkingen inbrengen tegen het bestemmingsplan”. Daar zit toch geen woord Frans (of Latijn) bij. Ook een stagiaire op het gemeentehuis snapt het en als hij de enige is die op het idee komt de relevante wetsbepaling er even op na te lezen, zou hij B en W én GS een hoop ellende besparen.

Daarmee werden beide colleges in Utrecht wel opgezadeld, omdat geen van hun leden er aan dacht, dat door het gewijzigd vaststellen van het plan een nieuwe beroepstermijn is gaan lopen. Als tot een ongewijzigde vaststelling is besloten, kan geen beroep meer tegen het plan worden ingesteld. Belanghebbenden hebben dan immers na de ter inzage legging van een voorbereidingsbesluit vier weken de gelegenheid gehad hun zienswijze over dat ontwerp schriftelijk kenbaar maken. De gemeenteraad moet dan in zijn vaststellingsbesluit aangeven wat hij van die zienswijze vindt.

In beginsel hebben alleen zij, die van hun recht gebruik hebben gemaakt om vóór de vaststelling hun opvatting te geven over het ontwerp, ná de vaststelling van het plan nog de mogelijkheid daartegen bij GS bezwaar te maken. Het is niet meer dan logisch dat dit niet geldt als de gemeenteraad veranderingen aanbrengt in het ontwerp dat ter inzage heeft gelegen. Zij die problemen hebben met die veranderingen zouden dan daar geen bezwaar meer tegen kunnen maken. Vandaar dat noodzakelijke artikel 27, tweede lid van de Wet RO.

Mensen zijn geen perfecte machines; ze hebben altijd fouten gemaakt en zullen dat altijd blijven doen. Maar het lijkt wel of we niet meer bereid zijn van onze fouten te leren. Het aantal gemeenten dat in de laatste jaren deze zelfde fout maakt, is in elk geval onrustbarend groot.

Slordig

Dat zelfs onze vierde stad geconfronteerd is met een uitspraak van de bestuursrechter, waarbij het provinciale goedkeuringsbesluit van zijn bestemmingsplan werd vernietigd, lijkt toch wel te wijzen op een voor deze generatie typerende slordige manier van werken. De juristen op het gemeentehuis hebben kennelijk de jurisprudentie over dit RO-artikel niet gelezen en evenmin de annotaties daarbij, die op deze misstand wijzen.

Misschien zijn onze ambtenaren en bestuurders wat gevoeliger voor aansprekende titels, zoals die boven dit artikel. Toch ben ik bang dat echte verbetering in dit opzicht pas wordt bereikt als er op al onze gemeentehuizen een stappenplan komt te liggen. De wethouder met ruimtelijke ordening in zijn portefeuille, zou dan in laatste instantie nog even kunnen nagaan of alle daarin voorkomende stappen zijn genomen.

Ook de provincie dient zich van deze te veel voorkomende situatie wat aan te trekken. Het is immers het goedkeuringsbesluit van haar dagelijks bestuur dat steeds door de rechter wordt vernietigd, zodat zij opnieuw aan de slag moet. Even nagaan of de betrokken gemeente niet heeft vergeten mededeling te doen van de mogelijkheid om bij GS bezwaar te maken tegen de wijzigingen die door de raad in het bestemmingsplan zijn aangebracht, kan ook de provincie tijd besparen. En geld, want steevast verbindt de rechter aan de vernietiging van het goedkeuringsbesluit een veroordeling tot betaling van de door de bezwaarden gemaakte kosten én de griffierechten.

Het gaat maar om een paar duizend gulden, maar als ‘weggegooid’ gemeenschapsgeld is dat toch ‘zonde van het geld’.

(BR 2000 p.52)

Reageer op dit artikel