nieuws

Nieuwe onderhoudsregeling woonhuismonumenten nodig

bouwbreed Premium

Het onderhoud van woonhuismonumenten is niet adequaat geregeld. Gewenst is een regeling die voor alle categorieën eigenaars gelijkelijk uitpakt.

Restauratie en onderhoud moeten daarbij naadloos op elkaar aanlsuiten. Woonhuismonumenten maken ongeveer tachtig procent uit van het bestand van door het Rijk beschermde monumenten. De bestaande rijkssubsidieregeling is qua reikwijdte en werking te beperkt om de problemen bij het onderhoud van woonhuismonumenten op passende wijze op te lossen. Hierdoor dreigt een goed en regelmatig onderhoud van woonhuismonumenten in de knel te komen. Dit was voor de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond (KNOB) aanleiding om samen met een aantal praktijkdeskundigen een eenvoudige en effectieve regeling voor het onderhoudsprobleem te ontwerpen.

Fiscale aftrek

Het probleem is niet voor alle categorieën van woonhuismonumenten even groot. Eigenaren/bewoners van woonhuismonumenten komen immers voor hun onderhoudskosten in aanmerking voor fiscale aftrek bij de inkomstenbelasting. Deze voorziening moet zeker gehandhaafd blijven. Er zijn echter ook eigenaren/bewoners die op grond van geen of een te gering inkomen niet voor de inkomstenbelasting in aanmerking komen en dus geen gebruik kunnen maken van die fiscale aftrek. Deze situatie doet zich hoofdzakelijk voor bij ouderen die nog een eigen monumentaal woonhuis of een monumentale boerderij bezitten, die vaak al langer in familiebezit is. Uiteraard hebben zij wel onderhoudskosten. Voorts zijn er eigenaren/verhuurders van woonhuismonumenten. Dit zijn vooral restaurerende instellingen, zoals in Amsterdam Stadsherstel, die in vervallen staat verkerende monumenten herstellen om aldus de monumentale waarde daarvan te behouden. Deze instellingen verhuren de herstelde woonhuismonumenten en zijn derhalve verantwoordelijk voor het onderhoud. De huuropbrengsten wegen echter onvoldoende op tegen de extra investeringen die deze instellingen, in vergelijking met bijvoorbeeld woningbouwcorporaties, hebben moeten doen. Tenslotte is er het probleem dat woonhuismonumenten vaak ook een waardevol interieur hebben, dat in de redengevende omschrijving niet is vermeld en dan ook niet voor een voorziening als fiscale aftrek meetelt.

Uitgangspunten

De KNOB heeft als uitgangspunten voor een nieuwe onderhoudsregeling het volgende aangenomen: – De regeling heeft alleen betrekking op krachtens de Monumentenwet door de Rijksoverheid beschermde woonhuismonumenten. De redengevende omschrijving geldt hierbij als basis. – De regeling dient zo eenvoudig mogelijk te zijn, zonder overbodige bureaucratie en met zo gering mogelijke uitvoeringskosten. – Ook het onderhoud van het interieur dient, indien dit van monumentale waarde is, onder de regeling te vallen, ook als dit element (nog) niet in de redengevende omschrijving is opgenomen. De eigenaar kan, onder bepaalde voorwaarden, daartoe zelf aangeven wat in het interieur cultureel waardevol is. Controle hierop vindt plaats door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg of een gemeentelijk Bureau Monumentenzorg. Deze aanpak impliceert een intensivering van de voorlichting die bij de eigenaren de kennis en het besef van de culturele waarden van de woning moet vergroten, hetgeen tevens een stimulans is voor goed en voortgaand onderhoud. – De verschillende categorien eigenaren worden in principe gelijk behandeld. Deze uitgangspunten hebben geleid tot de volgende voorstellen: 1. Voor de eigenaar/bewoner van een woonhuismonument, die in aanmerking komt voor de inkomstenbelasting, blijft de fiscale aftrek gehandhaafd. Echter nu ook voor het onderhoud van het interieur, indien aangemeld en opgenomen in de redengevende omschrijving. Deze regeling betekent een belastingvoordeel dat kan oplopen tot vijftig procent van de onderhoudskosten. 2. Voor de eigenaar/bewoner zonder inkomstenbelasting wordt door middel van subsidiëring een voorziening getroffen, overeenkomend met het belastingvoordeel van de eerste categorie. Voorgesteld wordt dat vijftig procent van de rekening voor de onderhoudskosten, naar analogie met de ‘winterschilder’, in dit geval door de overheid rechtstreeks aan de uitvoerder van de onderhoudswerkzaamheden wordt betaald. 3. Restaurerende instellingen moeten op grond van praktijkgegevens dertig tot veertig procent van de huuropbrengsten reserveren voor onderhoud. (Ter vergelijking: woningbouwcorporaties reserveren als regel vijftien procent van de huuropbrengsten voor onderhoud.) Een gelijke behandeling leidt voor de restaurerende instelling tot een subsidiëring van vijftig procent van de onderhoudskosten. Dit strookt met het belastingvoordeel danwel de subsidie voor de genoemde eerste en tweede categeorie. Ook komt aldus vijftig procent subsidie op de reservering van dertig procent voor onderhoud overeen met de vijftien procent die woningbouwcorporaties reserveren voor onderhoud.

Restauratie

Het is nadrukkelijk de bedoeling dat de voorgestelde regeling zich, na opgedane ervaring, naadloos ontwikkelt tot een integrale instandhoudingsregeling. In het belang van het monument is immers de meest wenselijke, want bij uitstek doelgerichte voorziening, een instandhoudingsregeling waarin restauratie en onderhoud zijn geintegreerd.

Reageer op dit artikel