nieuws

Grenzen aan aansprakelijkheid

bouwbreed Premium

Op grond van de contractvrijheid zijn partijen vrij in hun overeenkomst af te spreken dat de aansprakelijkheid voor schade die ontstaat bij de uitvoering van hun overeenkomst, anders zal zijn dan in ons Burgerlijk Wetboek is geregeld. Dat kunnen zij ook doen door Algemene Voorwaarden van toepassing te verklaren. Daarin zijn doorgaans ook zulke regelingen opgenomen, die ook wel als exoneratiebedingen worden aangeduid.

De UAV bevatten eigenlijk geen exoneratiebepalingen. De regeling over de aansprakelijkheid voor en na oplevering maakt dat ook eigenlijk niet nodig. Er staat wel een garantiebepaling in deze voorwaarden, maar hoewel een garantie vaak een beperking van de aansprakelijkheid inhoudt, is het eigenlijk het omgekeerde van een exoneratiebeding. Partijen die hun rechtsverhouding, wat dat betreft, alleen laten beheersen door de UAV, verlaten zich dus wat hun aansprakelijkheid betreft geheel en al op ons burgerlijk recht, met name het Burgerlijk Wetboek. Er zijn echter algemene voorwaarden die heel ver gaan in de beperking van de aansprakelijkheid. Niet de SR 1988 (Standaardvoorwaarden rechtsverhouding opdrachtgever-architect) want die beperken alleen de omvang van de door de architect te betalen schadevergoeding tot anderhalve ton of, als zijn honorarium hoger ligt, tot het bedrag ervan.

Beperking

Nee, veel verder gaan de voorwaarden die van toepassing waren verklaard op een overeenkomst tussen een hoofd- en een onderaannemer. In het vonnis van de Raad van Arbitrage worden ze de ene keer VMRG- voorwaarden genoemd en de andere keer VGRM, maar waar die vier letters op slaan heb ik niet kunnen vinden. De inhoud van het artikel in deze voorwaarden, dat gaat over de aansprakelijkheid, laat aan duidelijkheid weinig te wensen over. Het beperkt de aansprakelijkheid van de opdrachtnemer tot de nakoming van de in een ander artikel omschreven garantieverplichtingen en sluit elke vordering tot een andere schadevergoeding uit, ook vorderingen die betrekking hebben op bedrijfsschade. Eveneens de aansprakelijkheid voor kosten en schade, die ontstaan door schending van octrooien, licenties of andere rechten van derden wordt als gevolg van door de opdrachtgever verstrekte gegevens uitgesloten. Het enige voorbehoud daarbij is, dat die beperking en uitsluiting naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar moeten zijn.

Tegenvordering

Op dit artikel beriep een onderaannemer zich toen hij door zijn opdrachtgever werd aangesproken voor vergoeding van diens schade als gevolg van de te late oplevering van het werk. De onderaannemer diende aluminium kozijnen en vliesgevels te leveren en te monteren voor een bepaald project. Toen hij na het gereedkomen ervan betaling van de onbetaald gebleven facturen vorderde, reageerde zijn opdrachtgever met een tegenvordering van bijna het drievoudige bedrag. De 950.000 gulden, die volgens hem op grond van een contractueel boetebeding door zijn wederpartij moesten worden betaald, wilde hij verrekenen met de nog onbetaalde facturen. In eerste instantie werd door de Raad van Arbitrage echter beslist dat niet bewezen was dat er een kortingbeding was gemaakt. De tegenvordering die daarop gebaseerd was, werd daarom afgewezen en de hoofdaannemer werd veroordeeld het nog aan zijn onderaannemer verschuldigde bedrag van ruim 3,5 ton te betalen. Het scheidsgerecht van de raad, dat in maart 1998 tot deze beslissing kwam, had het niet nodig gevonden te bekijken of sprake was geweest van een door toedoen van de onderaannemer veroorzaakte vertraging in de uitvoering van zijn werk. De vraag of hij in dat geval aansprakelijk was voor de door zijn opdrachtgever geleden schade, kon daarom naar de mening van de raad onbeantwoord blijven. Dat vond onze hoofdaannemer een foute conclusie. Hij ging in hoger beroep, maar veranderde de grondslag van zijn schadevergoedingseis omdat hij er geen vertrouwen in had dat de raad het bestaan van een kortingsbeding (beter bekend als boetebeding) wél zou aannemen. Hij wijzigde zijn eis in zoverre dat hij vergoeding van de werkelijk door hem geleden schade vorderde. Het bedrag daarvan was wel wat lager dan die van de korting, maar nog altijd meer dan de moeite waard; zo’n 870.000 gulden. Zo’n wijziging van een eis staan door de statuten van de Raad toe als de andere partij maar de gelegenheid heeft gehad zich daarover uit te laten en de raad vindt dat die wijziging tegenover die partij niet onredelijk is. Ook ons Burgerlijk Wetboek heeft er geen moeite mee zei de Raad nu, want het bepaalt dat hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is, in de plaats treedt van de wettelijke schadevergoeding. De partij die wegens te late oplevering boete of korting claimt, doet in feite niets anders dan schadevergoeding eisen. Het bedrag ervan is alleen van te voren gefixeerd. Nu de raad in eerste instantie had vastgesteld dat er geen beding van die strekking was overeengekomen, werd de wettelijke regeling weer van toepassing. En de hoofdaannemer heeft volgens die regeling recht op vergoeding van zijn schade, als hij die tenminste kan aantonen.

Ongedaan

De enige vraag die nu nog overbleef was of de aansprakelijkheidsregeling in de Algemene Voorwaarden dit recht op vergoeding ongedaan maakte. Een onderzoek naar de oorzaken van de vertraging in de bouw bracht de arbiters tot de overtuiging dat – zo er al sprake was van een toerekenbare tekortkoming (de nieuwe term voor wanprestatie) aan de kant van de onderaannemer – hier geen situatie bestond waarin een beroep op aansprakelijkheidsbeperkende voorwaarden in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid. Dit hield in dat de clausule in de voorwaarden, dat elke vordering tot schadevergoeding, anders dan die voortvloeiend uit het niet nakomen van een garantieverplichting, uitgesloten is, moest leiden tot het afwijzen van de (gewijzigde) eis van de hoofdaannemer. Het hoger beroep college van de raad onder voorzitterschap van een van onze bekendere bouwrechtjuristen, formuleert dat wel op een merkwaardige manier door te zeggen dat “de vordering niet voor vergoeding in aanmerking komt en moet worden afgewezen”. Het lijkt een beetje op het grapje van de leraar Nederlands, “hier zet men koffie en over”, waarmee hij aangaf dat je soms niet twee dingen in één kunt zeggen.

(BR 1999 p.1045)

Reageer op dit artikel