nieuws

‘Lef bij stedelijke vernieuwing onmisbaar ‘

bouwbreed

De wijze waarop plannen worden ontwikkeld om naoorlogse wijken te revitaliseren, is lang niet overal even succesvol. Vaak ontbreekt voldoende draagvlak voor implementatie van die plannen, meent Ed Stekelenburg. Het klassieke patroon van de planontwikkeling ligt hieraan ten grondslag.

In een middelgrote stad ligt de naoorlogse woonwijk Uitleg. De wijk is kort na de Tweede Wereldoorlog gebouwd en bestaat vooral uit flatwoningen met een lage huurprijs. Het laatste decennium is de bevolking behoorlijk van samenstelling veranderd. Er zijn meer mensen met een lager inkomen en meer allochtonen met veel jonge kinderen komen wonen.

In sommige delen van de wijk willen alleen nog maar mensen wonen die geen andere keuze hebben op de woningmarkt. Zowel de gemeente als de plaatselijke woningcorporaties met bezit in de wijk Uitleg maken zich zorgen. Op middellange termijn zal de wijk de onderkant van de woningmarkt vormen en zullen zich allerlei sociaal-economische problemen ophopen. Ook de woningcorporaties zien de positie van hun bezit verslechteren en vrezen op termijn een slechtere verhuurbaarheid danwel een grotere inzet vanwege beheerproblemen.

Deze situatie is voor de woningcorporaties en de gemeente aanleiding om gezamenlijk de toestand nader te analyseren. Wat je dan vaak ziet is het klassieke patroon van planontwikkeling. Via een SWOT-analyse (kansen, bedreigingen etcetera) wordt benoemd dat de wijk op termijn verpauperd zal zijn, en op basis daarvan wordt een groot aantal ingrepen, sterk stedenbouwkundig van karakter met daarnaast een ingrijpende wijziging van de woningvoorraad, op papier gezet. Met dit plan wordt vervolgens getracht bewoners te overtuigen van de noodzaak van uitvoering. In veel gevallen ontstaat er dan fors verzet, vaak niet alleen van bewoners, en kan de planontwikkeling weer van voren af aan beginnen waarbij het proces meestal opnieuw wordt doorlopen, maar nu gericht op het realiseren van een gematigder inhoud.

Beperkt

Ik heb niets tegen een dergelijke wijze van planontwikkeling maar ben van mening dat deze slechts in een beperkt aantal gevallen toepasbaar is. Een klassieke planontwikkeling past het meest bij situaties die redelijk voorspelbaar zullen verlopen maar is onbruikbaar en ook niet nodig bij situaties met een onduidelijker verloop. De klassieke aanpak omvat plannen met veel op directe uitvoering gerichte projecten en daar is alleen bij een urgente en duidelijke situatie behoefte aan. Dan willen partijen concrete maatregelen omdat zij redelijk eenduidige belangen hebben (of bereid zijn die op elkaar af te stemmen) en al snel een gezamenlijke ambitie zullen ontwikkelen om de maatregelen uit te voeren.

Is een situatie minder urgent en het verloop van het sluimerende probleem minder duidelijk, dan hebben partijen veel minder behoefte om hun belangen en ambities op elkaar af te stemmen. Een vertaling in concrete gezamenlijke maatregelen is dan een stap die te vroeg komt.

Bij stedelijke vernieuwing zullen de planontwikkelaars dan ook meer werk moeten maken van het benoemen van de urgentie van het probleem. Er is heus niet overal even sterk of even snel behoefte aan het vernieuwen van de wijk. Met plannen komen waarin grote ingrepen staan terwijl de wijk over vijftien jaar pas echt in de problemen gaat komen, is vragen om onbegrip bij mensen die minder geneigd zijn te denken in zwaar preventieve ingrepen.

Urgentie

Ik pleit er voor om bij planontwikkeling allereerst de urgentie en voorspelbaarheid van het probleem te onderzoeken, vervolgens te bezien wat de gevolgen zijn voor de belangen en ambities van partijen, en pas daarna de planontwikkeling in te vullen. Bij een urgente situatie kan dat dan nog steeds klassiek verlopen met als resultaat een pakket maatregelen. Bij een minder urgent probleem kan er een meer organisch proces volgen, veel meer gericht op het formuleren van een globaal kader waarin partijen een gewenste ontwikkelingsrichting voor een gebied vastleggen. Hier is de planinhoud ook minder bindend dan bij de klassieke variant.

De gevolgen voor de weerstand tegen plannen zijn ook beter te managen. Bij een klassiek plan in een urgente situatie moeten de plannenmakers ook de moed hebben om hun plan ondanks weerstand tot uitvoering te krijgen. Bij een organisch plan in een minder urgente situatie moeten de partijen veel langer bereid zijn over de weerstanden te communiceren (daar is alle tijd voor) om uiteindelijk een breed gedragen ontwikkelingskader neer te leggen.

Ed Stekelenburg is adviseur Quintis Advies te Baarn en verbonden aan Kwadrant, adviesbureau voor stedelijke vernieuwing)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels