nieuws

Halfverwoest Peja krabbelt weer op

bouwbreed

Tanks en getimmer kenmerken wederopbouw Kosovo

peja – De stad Peja in het noordwesten van Kosovo is half verwoest. De vele uitgebrande huizen geven een macaber beeld. KFOR-tanks ratelen door de straten, soldaten patrouilleren met machinegeweer in de aanslag. Nu de eerste nazomerse buien zich aandienen, maken de Kosovaren zich grote zorgen. De winter hangt als een zwaard van Damocles boven hun hoofd. Massaal zijn de mensen aan het bouwen geslagen. Eerste prioriteit: een dak boven het hoofd.

Peja behoort tot de steden in Kosovo die het meest te lijden hebben gehad onder de Servische overheersing. Van de 30.000 huizen zijn er 8000 met de grond gelijk gemaakt. Nog eens 8000 huizen zijn in brand gestoken en daardoor zwaar beschadigd. Het is niet voor niets dat buitenlandse hulporganisaties, waaronder de Nederlandse corporatiekoepel Aedes, in de stad aan het werk zijn om de bevolking te helpen.

De inwoners van het gebied staan bekend als de metselaars van de Balkan: bijna iedereen kan overweg met hamer en troffel. De mensen stoppen al hun geld en energie in het weer snel bewoonbaar maken van hun huis. Bijna net zo belangrijk lijkt de schotelantenne die aan vrijwel elke gevel prijkt.

Maar het vinden van materiaal vormt een probleem. Vooral hout is een schaars goed. Het ontbreken van groot materieel is zo mogelijk een nog grotere handicap. Overal liggen bergen puin, klaar om te worden afgevoerd, maar het aantal shovels en vrachtwagens is zeer beperkt. Oude tractoren zijn de enig beschikbare hulpmiddelen.

Typemachine

Bij de enige brug in Peja wurmt een knaloranje cementwagen zich door het verkeer. Hij stopt op de hoek bij een uitgebrand pand. De ruiten van de winkel op de begane grond zijn kapot.

De wagen lost het cement in een reservoir met een constructie van planken, een kapotte computer en een oude typemachine. Het natte cement wordt uit het reservoir in de kruiwagen geschept en gaat via een provisorisch liftje naar boven. Daar staan vier man klaar om een vloer te storten. Volgende week komt er weer een dak op. Het zal nog iets langer duren eer de winkel weer open kan. Voor de oorlog was het gehavende pand de plek voor Kosovaren om kant-en-klare maaltijden te kopen.

Aan de overkant van de straat is het nog letterlijk een grote puinhoop. De wijk Papesuiza is een van de zwaarst getroffen gebieden van de stad.

Geen enkel huis is zonder schade. De traditionele lemen huizen zijn reddeloos verloren. Leem valt uiteen zodra er water bijkomt en het regent geregeld in het gebied. Baksteen houdt het iets langer uit, maar ook die muren zijn onbeschermd en niet bestand tegen het jaarlijkse sneeuwpak van veertig centimeter. De Kosovaren zijn bang voor de consequenties van een vroeg invallende vorstperiode.

Bovenop veel panden wordt gewerkt. Op sommige gebouwen prijkt al een gloednieuw dak. Andere zijn afgeschermd met bouwplastic, maar het merendeel moet nog worden beschut. Hier en daar wappert op een dak de traditionele Kosovaarse vlag; een bloedrood doek gesierd met een zwarte adelaar. Hier is het hoogste punt bereikt.

Steun

Een schoolgebouw wordt gerestaureerd met steun van de Europese Unie. Vijf stukadoors zijn op een steiger bezig met pleisterwerk. Bij de ingang staan honderden schoolbankjes opgestapeld. Daarnaast evenzoveel ramen compleet met sponning.

De rechterhoek van het schoolplein is afgezet met een geel lint met in grote letters ‘mine!’. Vorige week is hier een mijn gevonden, maar nog niet tot ontploffing gebracht.

De Boulevard de Proletaria, enkele honderden meters verderop, is eveneens zwaar getroffen. Geen enkel huis heeft nog een dak, overal ligt puin, afval en huisraad – al dan niet halfverbrand – liggen door de straten verspreid.

Prikkeldraad

In het centrum is het enige hotel omgetoverd tot hoofdkwartier van Italiaanse KFOR-militairen. De voorkant is een onneembare vesting met zandzakken, slagbomen, tanks en camouflagenetten. Bij de achterkant staat een lange rij Kosovaren te wachten achter een rol prikkeldraad. Gelaten schuifelen ze naar voren om een minuut te mogen bellen met de satelliettelefoon.

Iedereen is nog op zoek naar familieleden, geen enkele Kosovaar is zonder rouw om dierbaren.

Kogelgaten

Op veel muren staat UCK en NATO gekalkt. Van alle wegwijzers is de Servische vertaling met verf overgespoten, sommige zijn doorzeefd met kogels. Aan auto’s ontbreken kentekenplaten, veel bestuurders rijden zonder rijbewijs. De Serven hebben consequent paspoorten en kentekenplaten in beslag genomen. Het gebrek aan controle vertaalt zich in chaotische verkeersstromen.

Het winkelgebied is grotendeels met de grond gelijk gemaakt. Grote hopen puin, met hier en daar een enkele muur overeind. In de straat met de grote moskee waren vroeger veel winkeltjes, maar de moskee is uitgebrand en de panden zijn verwoest. Toch is het op zaterdagmiddag een drukte van belang.

Veel winkeliers zijn teruggekeerd en bieden hun waar nu aan op tafels en kartonnen dozen. Het assortiment is wel erg beperkt maar aan de eerste levensbehoeften lijkt geen gebrek. Een brood kost vijf dinar, nog geen twee kwartjes. Sigaretten, batterijen en zeep vinden gretig aftrek.

De Duitse mark is de munt waarin wordt afgerekend. Voor bedragen tot ongeveer vijf gulden kun je elke Europese munt verwachten. Kauwgom wordt gebruikt om af te ronden. Mogelijk is Kosovo het eerste land waar de euro als betaalmiddel wordt ingevoerd, terwijl het land niet eens tot de Europese Unie behoort.

Mensen zijn terug, maar niets functioneert

Het is verbazingwekkend te zien hoe een maatschappij draait als post en telefoon niet werken. Op de stadsplattegrond staan een theater, bioscoop en museum, maar ze zijn alle gesloten en voor een deel verwoest. Bankverkeer is onmogelijk. Brandweer, politie, reinigingsdienst, justitie en gemeente functioneren evenmin.

De laatste tien jaar namen Serviers alle sleutelposities in de maatschappij in. Zij vormden ongeveer eenvijfde deel van de 100.000 inwoners van de stad. De oorlog veranderde Peja in een spookstad. Sinds juni keren de vluchtelingen terug. Op dit moment is het merendeel van de bewoners terug. Onder hen bevinden zich echter geen Serviers. Zij zijn gevlucht en zitten veelal in de vluchtelingenkampen net over grens die de Kosovaren achterlieten. Zij brengen de winter in elk geval niet door in hun eigen huis.

Het allereerste nieuwe dak (links). In de krant van 30 juli toonde Cobouw dit huis, dat toen nog volledig in puin lag.

De vrees voor een vroege winterperiode is groot. Dus zijn de Kosovaren keihard aan de slag teneinde zich weer een menswaardig onderkomen te verschaffen. In veel gevallen moet eerst alles worden afgebroken (boven).

Met een provisorisch liftje wordt cement naar boven gebracht, waar vier man klaar staat om een vloer te storten. Het hoekpand dat hier onderhanden wordt genomen, is tijdens de oorlog uitgebrand (onder).

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels