nieuws

H.P. Berlage met het Gemeentemuseum Den Haag (1928-1935)

bouwbreed

In 1919 verleent de gemeente Den Haag aan Hendrik Petrus Berlage (1856-1934) voor de eerste keer de opdracht voor het ontwerp van een museum. De keuze voor Berlage ligt voor de hand: hij is in Den Haag gevestigd en werkt daar op dat moment aan meerdere bouwwerken en stedenbouwkundige plannen, maar bovenal is zijn status van meest gewaardeerde Nederlandse architect op dat moment onomstreden. Berlage verwerft zich deze positie vooral met de realisatie van het in 1903 geopende Beursgebouw in Amsterdam. Naast een gestage stroom van zowel architectonische als stedenbouwkundige plannen en gerealiseerde bouwwerken, waarvan het uitbreidingsplan voor Amsterdam-Zuid, het Jachtslot St Hubertus op de Hoge Veluwe en het kantoorgebouw voor de Diamantwerkersbond in Amsterdam tot de bekendere behoren, schrijft hij ook architectuurtheoretische boeken en introduceert hij het werk van Frank Lloyd Wright in Nederland. Zijn reputatie als aartsvader van de moderne architectuur in ons land, durven historici pas nu Berlages eeuw bijna is afgelopen voorzichtig te relativeren.

Berlage zet zich voortvarend aan de opdracht voor het museum. In 1920 is het ontwerp gereed, maar het is te groots en daarmee te duur en de plannen worden na enige jaren bakkeleien in de ijskast gezet. In 1927 krijgt Berlage opnieuw de opdracht, nu met een realistischer programma van eisen waarin onder meer rekening wordt gehouden met latere uitbreidingen. Het architectuurlandschap is in de tussentijd drastisch gewijzigd: jonge architecten verenigd in de Amsterdamse School, De Stijl en het Nieuwe Bouwen hebben belangrijk werk gerealiseerd. Ondanks het respect dat deze jongeren Berlage tonen, wordt hij door hen niet meer gezien als medespeler in de voorhoede. Als het museum in 1935, een jaar na Berlages overlijden, eindelijk wordt geopend is het bijna een anachronisme.

Niettemin is het een van de mooiste musea in Nederland. Door een prachtige gang tussen twee grote vijvers bereikt men de entree en een hoge ontvangsthal. Het museum wordt vooral geroemd om de bijzondere lichtval in de tentoonstellingszalen. Het complex bestaat uit een reeks kabinetten en zalen rond een binnenhof. De gevels bestaan uit gele baksteen in een vlechtwerkpatroon. Het basismoduul van 1,10 x 1,10 meter waarop de gehele plattegrond en het tegelwerk in het interieur is gebaseerd, is afgeleid van het baksteenformaat. Het museum is in de jaren zeventig (Schamhart) en tachtig (Quist) uitgebreid. Een recente restauratie heeft veel van de oorspronkelijke indeling en lichtkwaliteit die in de loop der jaren waren verdwenen weer teruggebracht.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels