nieuws

Onduidelijkheid over bouwvergunning

bouwbreed

De vraag of bepaalde werkzaamheden onder het in de Woningwet gedefinieerde begrip ‘bouwen’ vallen, en of daarvoor een bouwvergunning nodig is, blijft onze bestuursrechter bezig houden. Maar zijn antwoord is niet altijd even consistent. De bouwwereld verlangt meer duidelijkheid. Die komt er alleen als er een constante jurisprudentie is op grond waarvan opdrachtgevers van een bouw kunnen nagaan of zij zo’n vergunning bij de gemeente moeten aanvragen.

Ook onze gemeenten zouden graag wat meer duidelijkheid hebben op dat punt. Zo beslist de afdeling rechtspraak van de Raad van State de ene keer dat ondergrondse afvalcontainers geen straatmeubilair zijn, zoals de gemeente Hattem dacht. Die moest dus voor zichzelf een bouwvergunning voor die dingen aanvragen.

Directiekeet

Maar de man die een directiekeet wilde plaatsen in de Alblasserwaard om van daaruit aan toeristen versnaperingen te verkopen, moest van de gemeente eerst een bouwvergunning hebben, hoewel hij dacht dat een directiekeet iets heel anders is dan een woonkeet. Daarvoor is duidelijk wel een bouwvergunning nodig, maar dat komt omdat die wordt gebruikt voor tijdelijke bewoning. Over de in de bouw algemeen gebruikte directiekeet zwijgt de Woningwet echter.

Het plaatsen van een lichtreclame aan een lantaarnpaal werd, wat verrassend, als het veranderen van een bouwwerk aangemerkt en daarvoor was een vergunning nodig.

Als voor zo’n, in bouwkundig opzicht, onbelangrijk ‘bouwsel’ een bouwvergunning moet worden aangevraagd, is het standpunt dat dit voor het gedeeltelijk vernieuwen van de Hedelse brug over de Maas ook geldt, heel begrijpelijk.

Onderhoud

De betrokken gemeenten, ’s Hertogenbosch en Hedel, schreven de directie Limburg van Rijkswaterstaat dan ook dat zij eerst een vergunning moesten hebben voordat de werkzaamheden aan de brug konden beginnen. Daarmee was Rijkswaterstaat het niet eens omdat het werk geen bouwen in de zin van de Woningwet, maar gewoon onderhoud was. En zelfs als het wel bouwen was, zouden het alleen veranderingen van niet-ingrijpende aard betreffen. De Woningwet zegt in artikel 43 dat daarvoor geen bouwvergunning nodig is.

Nu was de beurt die de brug bij Hedel kreeg geen onbelangrijke. De uit gewapend beton bestaande weggedeelten moesten geheel worden gesloopt en vervangen door betonnen dekken met een asfalt-slijtlaag; de landhoofden- en pijlerconstructies en de bestaande staalconstructies dienden gerepareerd te worden. Dat viel wel degelijk onder het begrip ‘bouwen’ van de Woningwet, zeiden de rechtbanken van Arnhem en ‘s-Hertogenbosch. Maar hun oordeel dat al die werkzaamheden aan de brug geen werkzaamheden van niet-ingrijpende aard waren, was volgens de afdeling bestuursrechtspraak onjuist.

De Woningwet zegt dat voor zulke werkzaamheden alleen dan geen bouwvergunning nodig is als daardoor geen uitbreiding van het bebouwde oppervlak plaatsvindt en zij geen betrekking hebben op de draagconstructie van het bouwwerk.

Nu werd bij deze, door de directie Limburg hardnekkig als zodanig ontkende, renovatie van de Hedelse brug ook de breedte van het wegdek iets vergroot, maar dat was voor de bestuursrechter geen aanleiding om met de gemeentelijke standpunten in te stemmen. Nogal verrassend gebruikte hij andere, niet in de wet genoemde, criteria om tot de slotsom te komen dat voor de werkzaamheden aan de brug geen bouwvergunning vereist was. Die werden door de directie Limburg wel aangevraagd, maar dat was gebeurd om louter praktische redenen. De beslissing van de gemeenten Hedel en ‘s-Hertogenbosch kon immers veel sneller worden genomen dan die van de rechter. En het herstel van de brug kon daar niet op wachten.

De verrassing, die de Raad van State op 20 april dit jaar voor de beide gemeenten in petto had, was de vernietiging van de uitspraken van de beide rechtbanken, die de gemeenten in het gelijk hadden gesteld. Het was niet alleen voor hun bestuurders een surprise, ook voor bestuursjuristen kwam zij als verrassend over.

Niet-ingrijpend

Van de beide wettelijke criteria, geen uitbreiding van het bebouwde oppervlak en geen betrekking op de draagconstructie, besteedde de Raad van State alleen aandacht aan de laatste. De betreffende werkzaamheden hadden naar zijn oordeel geen betrekking op de draagconstructie, hoewel verroeste flenzen in de steunbalken vervangen, en scheuren in de steunpijlers volgespoten werden. Bovendien werd in diens opvatting ook aan de wettelijke eis dat zij niet-ingrijpend mochten zijn voldaan, niet alleen omdat zij beperkt waren in verhouding tot de omvang van de brug, maar ook omdat zij het uiterlijk aanzien ervan niet veranderden.

Die elementen worden niet als criterium voor het niet-ingrijpend zijn in de wet genoemd. De vraag is dus of zij in volgende gevallen door de rechter aanvaard blijven bij het beoordelen van de vraag wanneer veranderingen aan een bouwwerk wel of niet van ingrijpende aard zijn. Het zal toch niet zijn dat het antwoord zal afhangen van de vraag of de opdrachtgever een groot en betrouwbaar overheidsorgaan is dan wel een onbekende particulier? Op duidelijkheid daarover zitten heel wat mensen te wachten.

(BR 1999 p.588)

Mr. Math Verstegen

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels