nieuws

De lijdensweg die welstandstoezicht heet

bouwbreed

Meer dan vijf verschillende plannen, waaraan twee jaar is gesleuteld – dat is de lijdensweg die ontwikkelaar IBC en Kamphuis Architecten uit Den Haag moesten afleggen om goedkeuring van de Haagse welstandscommissie te verwerven voor nieuwbouw aan de Troelstra- kade. Een van de schrijnende voorbeelden uit het Jaarverslag 97/98 van de commissie die duidelijk maken dat welstand een niet te onderschatten horde is.

Zolang er welstandstoezicht is, is er ook altijd gemor over geweest. Halverwege jaren tachtig leek het instituut op sterven na dood, maar in het kader van een bewuster architectuurbeleid door de rijksoverheid beleefde het in de jaren negentig een revival. Welstandstoezicht werd van toenemend belang. Zozeer, dat er de laatste jaren vooral klachten zijn over de onzekerheid die welstandstoezicht veroorzaakt: bij gebrek aan objectieve criteria weten de indieners van plannen veelal niet goed waaraan ze zich moeten houden en welstand gaat steeds meer ‘mee-ontwerpen’. Opdrachtgevers zien welstand steeds vaker als een moeilijk te nemen horde op hun weg naar een bouwvergunning, en hechten er bij hun architectenkeuze toenemend belang aan dat deze in staat is het plan soepel langs alle klippen te loodsen.

Aan de groeiende (schijn van) willekeur en bemoeienis wil staatssecretaris Remkes nu een eind maken. Hij heeft inmiddels aangekondigd dat hij in september komt met nieuwe wetgeving terwille van meer openheid en toetsing aan objectieve criteria. De commissie die hem adviseerde heeft ook voorgesteld een second opinion mogelijk te maken, waarbij klagers snel in beroep kunnen gaan tegen uitspraken van welstandscommissies. Het zijn elementen die niet echt nieuw zijn, want diverse gemeenten hebben de afgelopen jaren al beeldkwaliteitsplannen of andere voorschriften opgesteld die plannenmakers duidelijkheid verschaffen over de belangrijkste criteria die welstandstoezicht aanlegt bij toetsing.

Den Haag

Een van de grote gemeenten waar het welstandstoezicht flink in beweging is, is Den Haag. Na een reorganisatie drie jaar geleden fungeert daar nu wat wethouder Noordanus trots noemt “welstand nieuwe stijl”, met elke woensdag openbare vergaderingen en overleg met stadsstedenbouwer Maarten Schmitt. In het eerste deel van ‘Het verzorgde gevelbeeld van Den Haag’ zijn zo objectief mogelijke normen vastgelegd voor wat wel en niet kan bij ingrepen aan bestaande straatgevels. In jaarverslagen legt de commissie verantwoording af.

Maakten de leden van de welstandscommissie in hun jaarverslag over 1996 in een soort beginselverklaring duidelijk waarvoor ze stonden, in het zojuist verschenen verslag over 1997 en 1998 geven ze een uitvoerige kijk in de keuken aan de hand van tweehonderd pagina’s met casussen. Ze zijn thematisch gerangschikt – centrum, na-oorlogse wijken, monumenten, Vinex-locatie enzovoorts – en omvatten zowel soepele succesnummers als moeizame gebeden zonder eind.

Het openhartige overzicht maakt duidelijk dat welstandstoezicht een precair balanceren blijft tussen marginale toetsing en intensieve bemoeienis om het onderste uit de kan te halen. Of dat laatste terecht is, omdat het om bijzondere locaties gaat of buitengewone gebouwen, kan de lezer van het jaarverslag voor zichzelf uitmaken aan de hand van de illustraties en beschrijvingen. Wat ontbreekt is echter een cijfermatig overzicht dat duidelijk zou kunnen maken in hoeveel gevallen dit tot vertraging en verandering van plannen leidt, en hoeveel tijd daarmee is gemoeid. Weegt de winst in schoonheid op tegen het verlies aan de andere kant?

Allure

Een van de meest schrijnende voorbeelden in dat opzicht is het plan dat het Haagse bureau Kamphuis Architecten indient voor projectontwikkelaar IBC. Het begint met een massa-maquette van de stafafdeling Ruimtelijke Ordening die aangeeft wat er op deze ingewikkelde hoek van Troelstrakade en Moerweg mogelijk is. Het plan dat IBC en Kamphuis op basis daarvan indienen in juni 1997 (illustratie linksboven) wordt afgewezen omdat het te letterlijk de stedenbouwkundig bedoelde massa-maquette volgt. “Na de stedenbouw is er geen architectuur gemaakt”, aldus de commissie.

Na “collegiaal overleg” met architect, ontwikkelaar en gemeentelijke projectleider komt er januari 1998 een nieuw plan. Daarin mist de commissie echter de benodigde “allure” en “alzijdige plastiek”. Na aanpassing (middelste illustratie) is de commissie weer niet tevreden over de aansluiting van de laagbouw op de hoogbouw, de entree van de toren en de beeindiging aan de bovenkant van de toren.

Aanpassingen leiden tot een nieuw plan in oktober 1998, en wederom is overleg nodig met de architect, want de commissie vindt nu dat de “snede” tussen hoog- en laagbouw “verdoezeld” wordt, waardoor ze “verkleven”.

Ook over het voorstel dat maart 1999 volgt (illustratie rechts) heeft de commissie tal van opmerkingen: de entree is nog steeds niet overtuigend en mist allure, de beeindiging van de top van de toren is nog niet goed, de inrichting van het voorgebied is niet akkoord omdat onder andere de windschermen niet passen in de omgeving en evenmin is het lichtarmatuur passend bij de architectuur.

Pas in mei 1999, twee jaar na indiening van het eerste plan, accepteert de commissie het plan, met gewijzigde entree.

Wat de lezer na de beschrijving van zo’n lijdensweg node mist in het jaarverslag, is de moraal. Wie is hier de good, bad en ugly?

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels