nieuws

Functionaliteit bepalend op plek vol emotie Expositie over stationsarchitectuur

bouwbreed

utrecht – Van simpele houten loods tot imposante ‘kathedraal der techniek’; van onooglijk ‘zeskantje’ tot spraakmakend bouwwerk van glas en staal: het Nederlandse spoorwegstation heeft vele gezichten. Ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van het Maliebaanstation in Utrecht wijdt het Spoorwegmuseum een expositie aan de architectuur van het Nederlandse station.

“In de stationsarchitectuur weerspiegelt zich de sociale, maatschappelijke en economische ontwikkeling van ons land”, zegt conservator Lex van Marion, een van de samenstellers van de expositie. “Grote architecten hebben stations ontworpen in een varieteit aan bouwstijlen. Neo-classicistisch, Jugendstil, het Nieuwe Bouwen: al deze en vele andere stromingen zijn terug te vinden in de wijze waarop stations in de loop van ruim anderhalve eeuw vorm hebben gekregen.”

Aan de hand van originele bouwtekeningen, aannemersfoto’s en maquettes geeft de expositie de bezoeker een beeld van de verbazingwekkende veelzijdigheid van de Nederlandse stationsarchitectuur. Het meeste materiaal is afkomstig uit het depot van het museum en vrijwel nooit eerder aan het publiek getoond. Daarnaast zijn er foto’s te zien van moderne stations van architectuurfotograaf Gert Hoogeboom.

Uiteraard besteedt de tentoonstelling ruim aandacht aan het Maliebaanstation, waarin het Spoorwegmuseum sinds 1954 is gehuisvest. Op 10 juni 1874 werd het imposante station in neo-classicistische stijl – vermoedelijk een ontwerp van de architect A.L. van Gendt – geopend. Het station lag aan een nieuwe spoorlijn naar Hilversum en was ingericht op verwerking van grote aantallen reizigers. Door de excentrische ligging en de aanleg van nieuwe spoorlijnen verloor het Maliebaanstation echter al spoedig zijn functie en raakte in verval. “Een lijk dat boven aarde staat”, typeerde de schrijver Bordewijk het gebouw in 1935.

Het Maliebaanstation is, door z’n tragische geschiedenis, het ultieme spoorwegstation zoals romantici dat graag zien: een prachtig bouwwerk in een rustieke omgeving dat, ondanks de drukte die wordt veroorzaakt door de museumbezoekers, een zekere droefgeestige verlatenheid uitstraalt. “Stations zijn plekken vol emoties”, vindt Van Marion dan ook.

Vorm en functie

In schijnbare tegenspraak daarmee is het gegeven dat functionaliteit vrijwel altijd in eerste instantie bepalend is geweest voor de vormgeving van stations. “Voor stations geldt: form follows function”, zegt Van Marion. Zo mag de omvang en luxe van de wachtruimten van stations uit het eind van de vorige eeuw in moderne ogen overdreven lijken, er lag wel degelijk een praktische reden aan ten grondslag: de reizigers moesten vaak lang wachten op het in- en uitladen van hun talrijke bagage, die met aparte wagons werd vervoerd.

Het imposante karakter van de eerste grote stations, zoals het Amsterdamse Willemspoort uit 1843 en het Rotterdamse Delftsche Poort uit 1848, moest de reizigers doordringen van de veiligheid en de betrouwbaarheid van het nieuwe vervoermiddel trein. De facadebouw onttrok op geruststellende wijze het onheilspellende vuurspuwende, sissende monster aan het gezichtsveld.

De snelle uitbreiding van het spoorwegnet vanaf 1860 maakte de gestandaardiseerde bouw van waterstaatstations in vijf klassen noodzakelijk. De economische welstand van de spoorwegmaatschappijen aan het eind van de negentiende eeuw vertaalde zich in de imposante kathedraalachtige bouw van onder meer Amsterdam CS waarmee de maatschappijen elkaar de ogen trachtten uit te steken en reizigers voor zich te winnen.

Zeskantje

Maar ook mindere perioden uit de spoorweggeschiedenis weerspiegelen zich in de stationsarchitectuur. Berucht is het ‘zeskantje’, een onooglijk standaardgebouwtje dat in de jaren zestig op talloze plaatsen oudere, vervallen stations verving. Het was een tijd waarin de spoorwegen door de opkomst van de auto een marginaal bestaan leidden.

Een gunstige uitzondering uit deze periode is het station van Tilburg uit 1964. Het hoofd bouwen van NS, K. van der Gaast, maakte van Tilburg het eerste station waarbij voorbijgangers vanaf de weg onbelemmerd zicht hebben op de sporen.

De echte renaissance van de stationsarchitectuur zette vanaf begin jaren tachtig in, niet toevallig een periode waarin ook de trein weer meer elan kreeg. Jonge architecten, zoals Harry Reijnders en Peter Kilsdonk, ontwierpen transparante spoorwegstations van staal en glas, die internationaal volop aandacht en prestigieuze prijzen kregen. Almere CS, Amsterdam-Sloterdijk en Leiden CS zijn voorbeelden van deze stijl. Het was voor het eerst dat de stationsarchitectuur geen bestaande stromingen volgde, maar zelf een trend zette.

Multifunctioneel

Inmiddels doet zich in de stationsarchitectuur een nieuwe ontwikkeling voor: het multifunctionele station is sterk in opkomst. “Een station wordt meer en meer een combinatie van vertrek- en aankomstplaats en winkelcentrum”, zegt Van Marion. “Daar is wat mij betreft niks mis mee, mits de twee functie elkaar versterken.”

Dat lukt, aldus Van Marion, op veel plaatsen wel, maar soms niet. “Ik vind het persoonlijk bijvoorbeeld storend dat de hele hal van het Amstelstation naar kippenboutjes ruikt.”

Behalve multifunctionaliteit zal ook het begrip ‘kwaliteit’ in de stationsarchitectuur van steeds groter belang worden, denkt Van Marion. De spoorwegen willen het reizen per trein aantrekkelijker maken en in dat streven passen mooie stations. “Net als aan het eind van de negentiende eeuw zal de aandacht voor detaillering en niveauverhoging toenemen”, verwacht hij. Kortom, ook in de derde eeuw spoor zal de stationsarchitectuur de reiziger en de liefhebbers veel te bieden hebben.

De expositie ‘Stationsarchitectuur in Nederland’ is van 10 juni tot en met 31 oktober te zien in het Nederlands Spoorwegmuseum in Utrecht. Het museum is ’s maandags gesloten.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels