nieuws

Diversificatie

bouwbreed

De concurrentie in de bouw is groot. Van een krachtige toename van de vraag naar bouwproductie zal geen sprake zijn.

Bedrijven die op groei gericht zijn, zullen marktaandeel bij andere bedrijven moeten wegkapen. De ultieme vorm van dit laatste is natuurlijk een overname. Waar autonome groei niet lukt wordt gekozen voor fusies en overnames.

Dezer dagen zag een studie van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid het licht, waarin de concurrentie van en tussen grote bedrijven in de bouw wordt behandeld. Kenmerkend voor grote bouwbedrijven is natuurlijk, dat zij een eigen markt van grote projecten hebben. Op deze markt beconcurreren zij elkaar. Middenbedrijven en soms ook kleine bedrijven ontmoeten daarnaast het grootbedrijf op hun markt. Dat grootbedrijf heeft soms een vermomming als zelfstandige vestiging met een oorspronkelijke naam.

Al gedurende lange tijd ontwikkelt de bouwmarkt zich stabiel. Van schoksgewijze veranderingen is geen sprake. Dit geldt ook voor de verschillende deelmarkten. Veel grote bedrijven proberen het hele palet van werkzaamheden in de bouw te bieden. Zowel in burgerlijke en utiliteitsbouw, als in de grond-, water- en wegenbouw is men actief. Soms wordt als argument voor zo’n brede opstelling gewezen op de mogelijkheid van diversificatie. De strategie is dan om productiedalingen op het ene deel van de markt te compenseren op het andere.

Wil zo’n beleid succesvol zijn, dan is het noodzakelijk over tegen de draad in fluctuerende deelmarkten te beschikken. Daarvan is in beperkte mate inderdaad sprake. Er kan dus een dempend effect optreden. De redenering kan zijn, dat alle beetjes helpen. Als je ontwikkelingen over een langere periode bekijkt kan eveneens van een compenserend effect worden gesproken.

Op korte termijn is de diversificatie dan gericht op minder woningbouw vervangen door meer kantoren of scholen bijvoorbeeld. Over een langere periode zou het teruglopen van nieuwbouw van woningen opgevangen kunnen worden door meer woningverbetering en onderhoud. In hoeverre bij dit laatste nog van diversificatie sprake is, kan worden betwijfeld.

De veranderingen in de vraag naar bouwproducten worden door twee determinanten gedicteerd. Althans in hoofdzaak. De demografische component in de vraag staat voor de kwantiteit, de welvaartsontwikkeling voor de kwaliteit. Je kunt immers voor 100.000 gulden een dak boven je hoofd hebben, maar ook voor 300.000.

Bij een niet groeiende bevolking is in principe geen uitbreiding van de gebouwde omgeving nodig. Welvaartsgroei kan tot versnelde veroudering en dus vervanging leiden. In grote lijnen zullen echter de verschillende deelmarkten dezelfde invloeden ondergaan. Natuurlijk zal vergrijzing leiden tot meer vraag naar verzorgingshuizen en parallel daaraan minder scholen. In de U-bouw levert dit geen direct compenserend effect op, de ontwikkelingen zijn lang van tevoren voorzien.

Als het gaat om de invloed van de welvaart, dus groeiende bestedingsmogelijkheden, zal het effect ook op alle markten zichtbaar worden. Steeds mooiere kantoren zie ik niet zo snel samengaan met een verkrotte woningvoorraad.

Overigens is het de vraag in hoeverre bedrijven hun capaciteit effectief en snel van de ene naar de andere deelmarkt kunnen verplaatsen. Waarschijnlijk kan dit zonder al te veel problemen. Diversificatie is op deze manier het tegenovergestelde van specialisatie. Specialiseren verwachten grote bedrijven van onderaannemers. Zelf maken zij zich liefst zo breed mogelijk.

Adri Buur

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels