nieuws

Macht leidt tot arrogant gedrag gemeentebestuurders

bouwbreed

In een democratie als de onze dient macht te worden uitgeoefend binnen het kader dat de wetgeving heeft aangegeven. Zeker de politieke macht. Die vloeit immers niet voort uit lichamelijk of geldelijk overwicht, want zij is aan degenen die haar uitoefenen gegeven om het algemeen belang te dienen. Maar macht corrumpeert niet alleen, zij leidt ook vaak tot het hanteren van wettelijke bevoegdheden vanuit een hautaine houding. Zo van: “Wij moeten bepalen wat in het algemeen belang dient te gebeuren en daar heeft de individuele burger geen zicht op”.

Die houding lijken althans de betrokken ambtenaren van de gemeente Heerhugowaard aan te nemen in het geschil met de koper van het perceel Huygendijk 11 in die plaats. Dat is de heer Pach.

Nadat hij met ambtenaren enige gesprekken had gevoerd over de mogelijkheid om op dat perceel een beautyfarm te bouwen kocht hij het op 31 oktober 1997. In de stolpboerderij die erop staat, wilde hij zelf gaan wonen en op het nabijgelegen land een nieuw gebouw neerzetten en dat als beautyfarm inrichten.

Waarschijnlijk omdat het daar geldende bestemmingsplan eerst moest worden gewijzigd vanwege de agrarische bestemming van de grond, werd gewacht met de inschrijving van de koopovereenkomst in de kadastrale registers. Pach was dus – juridisch gezien – nog geen eigenaar van het door hem gekochte perceel.

Ineens kwam de gemeente tot de conclusie dat ze het grootste deel van de door Pach gekochte grond wilde gebruiken om daar een verkeersplein aan te leggen. Ook daarvoor moest het bestemmingsplan worden gewijzigd, maar dat kon worden geregeld met een ‘postzegelplan’.

Zo’n mini-bestemmingsplan heeft betrekking op een beperkt gebied, waarin maar een hoofddoel wordt gerealiseerd. Heerhugowaard wist wel dat de grond, waarop het verkeersplein moest komen te liggen, al aan Pach was verkocht maar omdat die nog geen juridisch eigenaar ervan was, dacht zij van het gemeentelijk voorkeursrecht gebruik te mogen maken.

Voorkeursrecht

B en W wezen daarom vijf zesde deel van Pachs grond aan als gebied waarop een voorkeursrecht geldt. Alleen de boerderij viel daarbuiten. Dat besluit van 9 december 1997, nog geen zes weken na de verkoop van diezelfde grond aan Pach, werd door de gemeenteraad eind januari 1998 bevestigd.

De heer Stoop, die nog steeds de formeel-juridische eigenaar van de grond was, moest op grond van dit wettelijke voorkeursrecht de grond aan de gemeente aanbieden, maar wilde alleen zijn hele perceel verkopen. De gemeente zag blijkbaar de redelijkheid daarvan in en sloot met Stoop een koopovereenkomst voor alle grond, die al eerder aan Pach was verkocht.

Als u had gedacht dat Heerhugowaard ook met Pach tot overeenstemming probeerde te komen over het probleem dat voor hem was ontstaan door het gebruikmaken van het voorkeursrecht, heeft u het mis. Met hem had de gemeente niets te maken omdat de wet, waaraan zij haar voorkeursrecht ontleent, de formele eis stelt, dat een eerdere koop ingeschreven moet zijn in de registers. Pachs beroep op zijn koop voordat de gemeente haar voorkeursrecht uitoefende, kon daarom niet slagen zei de gemeente, die de notaris vroeg de latere koopakte van haar met Stoop te transporteren.

Kort geding

De notaris weigerde dat echter met een beroep op de Notariswet, die hem verplicht zijn medewerking aan zo’n transport te weigeren als daartoe een gegronde reden bestaat.

Dat had de gemeente waarschijnlijk nog nooit meegemaakt, maar een ander middel dan een kort geding voor de President van de Alkmaarse rechtbank had zij natuurlijk niet. Zij wilde een veroordeling van de notaris om de gevraagde medewerking te verlenen en beweerde daarbij dat daardoor geen mogelijke rechten van derden geschaad zouden worden.

Alsof zij niet donders goed wist dat zij daarmee Pachs feitelijke recht op diezelfde grond negeerde! Wel zei Heerhugowaard dat haar voorkeursrecht voorrang had op de eerdere koopovereenkomst tussen Pach en Stoop, maar dat kon zij alleen doen vanuit het nogal formele standpunt dat de koopakte nog niet ingeschreven was.

Niet formalistisch

De President van Alkmaar is gelukkig geen formalistische jurist. Hij vond het standpunt van Pach “niet bij voorbaat kansloos”, want als in een bodemprocedure zou komen vast te staan dat de gemeente op de hoogte was van het feit dat Pach al voor het voorkeursbesluit dezelfde grond had gekocht, dan achtte hij het niet onaannemelijk dat de rechtbank het beroep van Heerhugowaard op haar voorkeursrecht niet zal honoreren.

Dat lijkt voorzichtig uitgedrukt, maar dit is nu eenmaal de taal van de rechter die in een kort geding alleen een voorlopig oordeel over de zaak mag geven. De President liet het niet bij zijn weigering om de vordering tot levering te honoreren. Veel belangrijker voor de bestuurders (en ambtenaren) van onze gemeenten is de wijze les die hij na zijn beslissing aan hen meegeeft.

Macht

De gezagsdragers van onze laagste bestuurslaag wordt door hem duidelijk gemaakt, dat de macht die zij aan de Wet Voorkeursrecht Gemeenten ontlenen, moet worden gebruikt met inachtneming van de bedoeling en de strekking van die wet.

Die ligt niet in het opwerpen van allerlei formaliteiten, maar in het feit dat in het verleden is gebleken dat gemeenten vaak geconfronteerd zijn met een onverwachte doorkruising van hun aankoopbeleid.

Het was met name de verwerving van die gronden uit speculatieve overwegingen, die het gemeenten vaak onmogelijk maakten om de voor hun bestemmingsplannen benodigde grond tegen een normale prijs aan te kopen.

In dit specifieke geval was daar geen sprake van, zodat hier het uitgangspunt dient te gelden dat overeenkomsten, waaraan een aanspraak op levering wordt ontleend, zoveel mogelijk zouden moeten worden gehonoreerd.

Misser

Na zo’n kort geding proberen partijen meestal in onderling overleg tot een oplossing van hun probleem te komen. Daarbij dient de opvatting van de President wel als uitgangspunt. Maar het overleg tussen gemeenteambtenaren van Heerhugowaard en Pach met zijn advocaat mr. Minjon, lijkt niet op die basis plaats te vinden. De mensen van het gemeentehuis vinden de uitspraak van rechtbankpresident Van Dijk een misser en geven zo niet alleen blijk van een zekere arrogantie, maar ook van een gemis aan waardering voor een wijze uitspraak van een jurist die zich niet gevoelig toont voor een beroep op een zuiver formeel gebrek door een gemeente, die denkt dat zij daarmee een redelijk belang van een burger kan negeren.

(BR 1999 p.333) Mr. M.A.M.Verstegen

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels