nieuws

Geen mens te bekennen in ziekenhuisbouw

bouwbreed

Met een gebroken pols loopt hij naar het ziekenhuis. Maar vindt de spoedafdeling niet. Die is slechts bereikbaar via een parkeergarage. Dan volgt zes uur wachten in een kelder. Geen wonder dat hij kritisch is, Rijksbouwmeester Wytze Patijn, de patient in deze anekdote. “Het technisch-medisch denken is dominant in de ziekenhuisbouw, niet gericht op patienten en bezoekers.”

Wat de kwaliteit is van de ziekenhuisbouw, kan nu voor het eerst gedocumenteerd worden beantwoord. Want gisteren nam minister Borst (VWS) het eerste exemplaar in ontvangst van ‘De architectuur van het ziekenhuis’, een boek dat de na-oorlogse ziekenhuisbouw inventariseert. Het schetst bovendien enkele eeuwen voorgeschiedenis en hoe sturend regulering en organisatorische kwesties zijn. Borst: “Dit maakt duidelijk hoe veelzijdig een architect moet zijn om het alle partijen naar de zin te maken.”

Borst ziet vooral een spanningsveld tussen de utilitaire wensen van het personeel en de “representatie”, de uitstraling van het gebouw. “Maar”, speculeert zij, “het medisch bolwerk zou wel eens kunnen bezwijken als er allerlei handzame apparatuur komt waarmee patienten elders kunnen worden behandeld.”

Dat sluit aan bij de tendens die Rijksbouwmeester Patijn signaleert dat men ziekenhuizen beter wil verankeren in hun omgeving. In plaats van solitaire “witte olifanten” waarin het technisch-medisch denken dominant is, wil men gebouwen die meer gericht zijn op de patienten en onderdeel van de dagelijkse leefomgeving. Het zouden bovendien gebouwen moeten zijn waarin architectuur een hoofdrol speelt, “healing environments”. Over dat laatste is Patijn echter sceptisch: “Het lijkt mij een hovaardige gedachte dat een goed gebouw een helende werking heeft.”

De architectuurhistoricus prof. Ed Taverne ziet ook de relatie tussen ziekenhuis en stad steeds hechter worden. Maar om een andere reden. “We leven in het tijdperk van de medicalisering. Daarin bestaan twee soorten mensen: patienten en zij die het nog niet zijn. Er is een massale vraag naar medische zorg. Het ziekenhuis wordt daarom steeds meer stad, met van alles en nog wat aan voorzieningen.”

Mecaniciens

Onthullend is dat in het boek tussen de honderden illustraties welgeteld slechts twee schetsjes zijn te vinden die het perspectief van de patient weergeven. Hoe je de omgeving ziet vanuit het bed. Verder komt er in de na-oorlogse ziekenhuisbouw geen mens voor. Uit deze geschiedschrijving blijkt het vooral een verhaal van beleidsmakers, medische mecaniciens en technocratisch georienteerde architecten. Niet dat er niet over de plaats van de mens in de gezondheidszorg is nagedacht. Maar voornamelijk over de patient als geval. Zelfs in de jaren zeventig, toen de menselijke kant van de gezondheidszorg centraal stond. Het uitgebreide hoofdstuk ‘De patient centraal (1970-1980)’ getuigt van een deerniswekkende worsteling waarbij goede bedoelingen vormeloos bleven. Het medisch-industrieel complex liet zich niet zomaar ontmantelen!

Geciteerd wordt uit een jaarverslag van het College voor ziekenhuisvoorzieningen uit die tijd dat men “de mens, drager van de ziekte waarmee de specialisten zich vooral bezighouden, steeds meer als persoon was gaan zien”. Ook de studieclub van architecten in de gezondheidszorg, de Stagg, hield studieweekends over de “menselijke” kant van de gezondheidszorg. Maar al deze mooie woorden leidden amper tot verandering in de architectuur of de plaats van de gezondheidszorg in het stedelijk leven. “Menselijk werd geassocieerd met kleinschalig”, signaleren de geschiedschrijvers. “Om te voorkomen dat het forse gebouw een harde en ongenaakbare indruk maakte, introduceerden ontwerpers een vormelement dat in de jaren zeventig veel navolging vond: de afgeschuinde hoek. Deze ‘zachte’ hoeken van vijfenveertig graden hadden een ‘vervloeiend’ effect.”

Het is een esthetisering die niet kan verhullen dat ziekenhuizen dezelfde hoogtechnologische kolossen zijn gebleven. De beelddocumentatie waarmee dit naslagwerk besluit toont dat genadeloos aan. Het zijn monumenten waaraan toekomstige archeologen kunnen aflezen welke extreem belangrijke plaats fysieke, mechanistische gezondheidszorg inneemt in de huidige tijd. Asklepios, de god van de geneeskunst, was bij de Grieken al een van de populairste. Ook nu kunst kunde is geworden en bijgeloof wetenschap, zijn de offers die ervoor gebracht worden niet minder.

N. Mens, A. Tijhuis, C. Wagenaar: ‘De architectuur van het ziekenhuis’; NAi Uitgevers; f. 85,00; ISBN 90-5662-099-1.

Begin jaren zeventig werden pogingen ondernomen de gezondheidszorg ‘menselijk’ te maken. Uit die tijd dateert het handboek ‘Ziekenhuis Menselijk en Modern’ met deze weergave van het perspectief van de patient.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels