nieuws

Westen besteedt meer uit aan ontwikkelingslanden

bouwbreed

Niet zelden dwingt de concurrentie Europese bedrijven ertoe hun productie voor een deel af te stoten. Vaak zoeken dergelijke ondernemingen een toeleverancier om samen het uitbestede werk uit te voeren.

Het Centrum voor de Bevordering van Importen uit ontwikkelingslanden (CBI) in Rotterdam informeert Nederlandse bedrijven over niet-westerse fabrikanten. Dat gebeurt onder meer met productpresentaties, die moeten aantonen dat fabricage in ontwikkelingslanden niet onder doet voor die uit westerse landen.

Projectmanager C. Dieleman van het CBI noemt de belangstelling van Nederlandse bedrijven goed. Ook de leveranciers in de ontwikkelingslanden zien hun inspanningen niet zelden beloond. De gemiddelde contractwaarde beloopt circa een miljoen gulden.

Het CBI stelt de presentaties samen aan de hand van bedrijfsdossiers. Daaruit moet blijken of een gegadigde voldoende kennis en ervaring heeft om met succes de westerse markt op te kunnen.

De beoordeling geeft bedrijven inzicht in hun kansen en zet aan tot verbeteringen. Aan dat laatste dragen ook de meningen van importeurs bij. Raadgevers adviseren namens het CBI bedrijven ter plaatse over het praktische beslag van de voorstellen. Geselecteerde ondernemers volgen een exportcursus in Rotterdam. Daarna volgt deelname aan een vakbeurs.

Duurzaamheid

Tussen expositie en de eerste order zit vaak een jaar of meer. In het geval van consumentenproducten kan de aanbieder veelal tijdens de beurs al opdrachten noteren. De duurzaamheid van de handelsrelatie die daar uit voortkomt, hangt af van het product.

In de industriele sector ontstaan over het geheel genomen langer lopende samenwerkingsverbanden. De ingebrachte kennis zorgt voor grote toegevoegde waarde. Een andere leverancier moet dan meer voordelen kunnen bieden dan alleen een lagere prijs om de activiteiten over te nemen.

Een aantal bedrijven dat in de programma’s van het CBI participeert, bereidt ISO-certificering voor of ontving die onderscheiding al. Daardoor krijgt de opdrachtgever meer zekerheid.

Maar ook dan doet een afnemer er volgens Dieleman goed aan zelf bij de toeleverancier te gaan kijken. Het land van herkomst hoeft niet op de producten vermeld te staan. Nu leven in de industriele sector nog vooroordelen. Afnemers kiezen eerder voor ‘made in Germany’ dan voor ‘made in China’.

Die trend probeert het CBI te doorbreken. De organisatie krijgt daarvoor meer mogelijkheden, nu zij meer als agentschap optreedt van de ministeries van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. De programma’s lopen grotendeels op dezelfde manier door. Wel worden deelnemers langer gevolgd, zodat ze tot een duurzamere handelsrelatie kunnen komen. Daar staat tegenover dat ze voor de intensievere aanpak meer moeten betalen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels