nieuws

Te florissant beeld ruimtelijke ordening

bouwbreed

Uit de praktijk van de verschillende nota’s ruimtelijke ordening kan worden geleerd dat de invloed op de inrichting van Nederland omvangrijk is. Die invloed beperkt zich niet tot de verdeling van de schaarse ruimte zelf. Zij raakt aan de ontwikkelingsmogelijkheden van onze economie, de positie van onze steden, de relatie stad en land, het behoud en de wijze van exploitatie van natuur, landschap en milieu.

Met andere woorden, het vraagstuk van de ruimtelijke ordening vergt een brede en multidisciplinaire benadering. Wil de Kamer goed beslagen ten ijs komen, dan moeten betrokkenheid en inzet van vele, uiteenlopende specialismen worden ingezet.

In de Startnota ontbreekt een degelijke evaluatie. Omdat de Vaste Kamercommissie vanuit haar taak van de Kamer zo’n evaluatie wel noodzakelijk acht om beslagen ten ijs te kunnen komen, wil zij in een eigen onderzoek deskundigen hierover aan het woord laten.

De veertig jaar ervaring met nota’s ruimtelijke ordening sinds de eerste Nota in 1960, wordt in de Startnota (hoofdstuk ‘De ontwikkeling van de ruimtelijke ordening’) weergegeven als een geschiedenis van gestage beleidsontwikkeling. De geschiedenis wordt hier overzichtelijk, harmonieus gepresenteerd, de nadruk ligt op continuiteit. Geruststellend wordt opgemerkt: “Terugkijkend zijn basisprincipes te herkennen die, bij alle wisseling in opgaven en omstandigheden, in de naoorlogse ruimtelijke ordening steeds in praktijk zijn gebracht.”

Het is echter de vraag of deze interpretatie van de feiten niet te eenzijdig, te eenvoudig of te florissant is. Zodra we oog hebben voor de wisselwerking tussen beleid en maatschappelijke realiteit blijkt de geschiedenis veel minder kalm en harmonieus. Het RO-beleid blijkt bijzonder kwetsbaar.

Dat de praktijk weerbarstig is, kan worden geillustreerd aan de hand van enkele voorbeelden.

Onvoorziene maatschappelijke en economische ontwikkelingen kunnen de grondslag van beleid volledig onderuit halen. Voorbeeld: de Tweede Nota ging uit van een prognose van 20 miljoen inwoners in 2000 en het beleid was erop gericht deze onvermijdelijk geachte groei op te vangen. Binnen een paar jaar was echter duidelijk dat de prognose veel te hoog was, onder meer door de snelle inburgering van de anticonceptiepil. Maar de uitvoering van het beleid was inmiddels gestart.

Een ander voorbeeld is de niet voorziene welvaartsgroei in de jaren zestig die leidde tot een groei in de automobiliteit, met als gevolg een ongewenste suburbanisatie. Dit leidde weer tot een noodgedwongen beleidsbijstelling in de Tweede Nota.

De ervaringen uit het verleden leggen een claim op de zorgvuldigheid waarmee nu de komst van de Vijfde Nota moet worden voorbereid. Bovendien duurt het nog wel tot 2010 voordat alle in ontwikkeling genomen bouwgrond en de lopende afspraken op lokaal niveau zijn afgerond.

Willen we verantwoord vooruitkijken over een periode van dertig jaar, dan zullen we ons dus tegelijkertijd zeer bewust moeten zijn van de lessen van eenzelfde periode die achter ons ligt, en de uitwerking van nog bestaand beleid.

De tijdelijke commissie moet zich een beeld vormen van de stand van zaken van relevant bestaand onderzoek en waar nodig zelf onderzoek entameren. Wat dit laatste betreft moet vooral worden gedacht aan hoorzittingen en studiebezoeken. Wat betreft de aspecten die nader moeten worden uitgewerkt, moet worden gedacht aan:

– een kritische analyse/evaluatie van de Vierde Nota/Vinex; – een evaluatie van het bestuurlijk instrumentarium; – een evaluatie van de grondkostenontwikkeling in relatie tot ruimtelijk beleid; – sterkte/zwakte analyse van de in de startnota aangegeven RO-

scenario’s;

– inzicht in (internationale) ervaringen en referenties ten aanzien van corridors, metropolen, meerkernensteden, luchthavens, zeehavens, nationale parken;

– inzicht in benodigd instrumentarium om welk RO-beleid dan ook, te kunnen uitvoeren.

Adri Duivesteijn, Tweede Kamerlid PvdA

Een gedegen voorbereiding van de Kamer op de debatten over de Vijfde Nota is noodzakelijk. De Startnota alleen volstaat niet. Het is gewenst dat de Kamer zelf op onderzoek uitgaat, zichzelf voedt met maatschappelijke en professionele inzichten en zo de voorbereiding van de behandeling van het beleid naar een hoger plan tilt. Dat is de conclusie van Tweede Kamerlid Adri Duivesetijn.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels