nieuws

IFD – bouwen? Doen we al lang!

bouwbreed

Nauwelijks heeft de overheid besloten om ontwikkelingen op het gebied van Industrieel, Flexibel en Demontabel bouwen (IFD-Bouwen) te ondersteunen of het lijkt alsof heel Nederland dit al jaren deed. Is dit terecht of een verschil in perceptie? Wanneer kan je spreken over industrieel, flexibel en demontabel bouwen? Dat zijn de vragen waarop A. Scheltema het antwoord zoekt.

Aan de vooravond van de industriele revolutie bestond er geen onderscheid tussen industrie en bouwnijverheid. Productie vond plaats op locatie. De eerste stap van industrialisatie richtte zich op serieproductie. Dat was mogelijk als er centralisatie van productie ontstond. Dit samen met de ontwikkeling van transportmiddelen en infrastructuur maakte het opschalen mogelijk. En er konden grote ondernemingen ontstaan.

De eerste industrieel vervaardigde producten moesten concurreren tegen de handmatig vervaardigde producten. Optimalisatie en vernieuwing van productieprocessen leidden tot het op grote schaal produceren van uniforme producten. Dit sloot na verloop van tijd niet aan op de vraag uit de markt. Er was behoefte ontstaan aan identiteit, niet aan uniformiteit.

Archetype

De industrie kwam ook in aanraking met geheel nieuwe producten. Producten die de consument niet kende en waar geen archetype van bestond (bijvoorbeeld magnetrons). Er moest een markt worden gecreeerd. Dit betekende de noodzaak om allerhande marketingtools te ontwikkelen. Inmiddels is gebleken dat dit enkel mogelijk is als er behoefte bestaat in de markt.

Nu ontwikkelt men op de consument afgestemde producten (product/marktcombinaties) en staan we aan de vooravond van industrieel individueel geproduceerde producten.

De bouwnijverheid produceerde op de bouwplaats direct voor de opdrachtgever en profiteerde van de opkomende industrialisatie (handvormsteen/strengperssteen). Er werden gaandeweg steeds meer bouwproducten door de industrie gemaakt. Sociale misstanden veroorzaakten de ontwikkeling van de huurwoning. Een architect, een opdrachtgever en een bouwer realiseerden woningen die pasten bij het ideaalbeeld van de mens, of soms naar het ideaalbeeld van de architect. Dit leidde soms tot wat vreemde resultaten bij individuele woningen. Soms werd enkel gekeken naar kosten, wat tot ontoelaatbare oplossingen leidde. De overheid greep daarom in door middel van regelgeving.

Er werden op ambachtelijke wijze kleine series huizen gemaakt. De eerste hoogbouw verscheen. Onder druk van de naoorlogse woningnood werden, met de uit de hoogbouw verworven technieken, op grote schaal uniforme woningen geproduceerd. Prefabricage. Deze woningen boden geen woongenot.

Gaandeweg werden woningen groter. Via subsidieregels werd bepaald wat de (minimum) afmeting van de ruimte was om de premie in de wacht te slepen. Het minimum werd verheven tot de norm. De kwaliteit van de vrije-sector woningen werd afgemeten aan die van de premie A, B en C woningen. En het woningtekort zorgde wel voor marktwerking.

Ondanks het woningtekort heeft de consument het gaandeweg toch voor elkaar gekregen om individuele wijzigingen op inbouwniveau te realiseren. De verwachting is dan ook dat deze ontwikkeling zich hand over hand verder ontwikkelt. Resultaat: grote problemen op de bouwplaats door achterhaalde bouwprocessen die niet gebaseerd zijn op inspraak of aanpassingen. Zeker niet tijdens het proces.

Verschillen

Wat is nu het verschil tussen de industriele aanpak en de bouwnijverheid?

Wanneer kan men spreken over IFD-bouwen?

De industrie centraliseerde productie. De bouw produceerde op de verschillende bouwplaatsen.

Beide werken met toeleveranciers. De industrie met ‘vaste’ toeleveranciers (permanente organisatie-kwaliteit gedreven), wat ‘co–makership’ bevordert, de bouwnijverheid met per project wisselende toeleveranciers (tijdelijke organisatie-kostprijs gedreven).

Beide produceerden voor onbekende klanten. De industrie bestudeert zijn kopers en stemt vervolgens de producten op hen af. De bouw stemt de producten af op de wensen van de partijen die belangrijk zijn voor het voortbrengingsproces. Zoals politici, stedenbouwers, architecten, bouwers en ontwikkelaars.

De industrie is zich bewust dat een duur product een product is wat men niet wil hebben. Een ‘leuk’ product met een forse prijs wordt niet als duur ervaren. De bouw kijkt enkel naar de functionele kwaliteiten van het product waardoor de producten vaak niet ‘leuk’ zijn. En dus duur. Dit veroorzaakt prijsdruk.

De industrie is zich bewust van het feit dat haar afnemers aan haar moeten denken en stimuleert dit met het product, productstyling, merkidentiteit, levering van kwaliteit, service, aftersales, reclame. De bouwer van de woning is veelal onbekend. We kennen wel het merk van de auto maar niet die van de financier. De woningkoper kent niet de naam van de bouwer maar wel van de hypotheekgever.

In de industrie streeft men er naar het klantspecifiek maken van het product (het klantontkoppelpunt) zo laat mogelijk in het productieproces te realiseren. In de bouw is met de realisatie van de drager het klantontkoppelpunt reeds vast gelegd. Dus vroeg in het proces.

De industrie levert geintegreerde stekkerklare functionerende producten waar met eenvoudige variaties een assortiment wordt opgebouwd. De bouwtoeleverende industrie levert onderdelen die bij samenstelling op de bouwplaats hun functie verkrijgen. De samenstelling bepaalt de variatie.

In de industrie wordt geassembleerd in daarvoor toegeruste werkplaatsen. Assemblage in de bouw vindt onder primitieve omstandigheden plaats, wat beperkingen oplevert in montagewijze maar ook in het technologisch niveau van het eindresultaat (Arbo).

Het leveren van een geintegreerd stekkerklaar product door de industrie betekent vergaande integratie van de betrokken disciplines, wat een hoog technologisch niveau haalbaar maakt. Het leveren van onderdelen leidt niet tot integratie en technologische optimalisatie van het bouwwerk. De planning bepaalt de mate van integratie. Dit betekent zo snel mogelijk leveren en monteren. Liefst in een bezoek aan de bouwplaats. Dus efficientie.

IFD-bouwen

Wat is nu Industrieel, Flexibel en Demontabel bouwen? Laten we de technische zaken weg uit deze benaming, dan blijft industrieel bouwen over. Dus bouwen zoals de industrie? Bouwen in massa- en serieproductie? Bouwen in een fabriek?

De eerste heeft mijn voorkeur. De andere zijn wederom technische zaken en oplosbaar. Bouwen zoals de industrie zou de referentie moeten zijn. Hiermee kunt u bepalen of uw bedrijf IFD-bouwen in praktijk brengt of kan brengen.

Om kort te gaan, bouwt u zoals de industrie producten produceert?

Dit betekent:

U produceert, zoals de industrie, geintegreerde stekkerklare producten die in hoge mate consumentgericht zijn.

Uw productie-eenheden zijn gecentraliseerd in daarvoor toegeruste productie-eenheden.

U werkt met vaste toeleveranciers

De producten van uw toeleveranciers accepteert u niet alleen in uw product maar u probeert dit in samenwerking optimaal te laten geschieden (co-makership).

U doet voortdurend marktonderzoek wat wensen zijn of zouden kunnen zijn bij de gebruiker, en stemt uw product daar op af.

Uw aftersales apparaat zorgt voor een blijvende relatie met uw klant en genereert daarmee voor u meer omzet.

U doet dit allemaal al? U beheerst IFD-bouwen. Ik ben al enige jaren werkzaam in de branche, waarom ken ik u dan niet?

U werkt toch wel aan de ontwikkeling van uw merk?

Arnoud Scheltema is industrieel ontwerper bij WeLL design in Zeist.

Bouw kijkt enkel naar functionele kwaliteit product

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels