nieuws

Op de brede rug van de aannemer

bouwbreed

Het is altijd oppassen als er een wet verandert. Zoals met de aanvulling in het Burgerlijk Wetboek die regelt dat aannemers altijd aansprakelijk zijn als uitzendkrachten een ongeluk overkomt. Dat is heel wat duidelijker taal dan wat de herziene Arbowet voorschrijft.

Het was lang wat schimmig wie er voor de schade aansprakelijk was als iemand van een uitzendbureau op een bouwproject een ongeluk kreeg. Na veel discussieren en evalueren is men er, mede door een uitspraak van de Hoge Raad, uit gekomen. Het juridisch denken kreeg gestalte in een aanvulling van een artikel van het Burgerlijk Wetboek: 7:658 BW is verstevigd met lid 4: de aannemer draait voor de schade op.

In lid 4 wordt de aansprakelijkheid voor schade die een ingeleende werknemer bij z’n werk oploopt, bij de feitelijke werkgever gelegd, dus bij de aannemer die inleent. Die moet betalen als een ingeleende medewerker iets overkomt. Was er vroeger wel eens twijfel, ruimte voor scherpslijpen en kissebissen, die tijd is voorbij: de aannemer draagt de verantwoordelijkheid.

Herziene Arbowet

Volgens de Arbowet moet een werkgever een ingeleende werknemer al heel lang dezelfde bescherming bieden als een eigen werknemer. Sinds november dit jaar hebben we te maken met de herziene Arbowet, waarin op dit punt een nieuwe bepaling is opgenomen.

Laten we kijken naar de wetstekst. Even uw best doen, wetten schrijven is moeilijk, lezen ook. “Indien de werkgever arbeid doet verrichten door een werknemer die hem ter beschikking wordt gesteld, verstrekt hij de inventarisatie en evaluatie (van de risico’s – HK) tijdig voor de aanvang van de werkzaamheden aan degene die de werknemer ter beschikking stelt, ter doorgeleiding van dat document naar die werknemer.”

Mooie moeilijke tekst, prachtig doel maar hoe is de praktijk?

Driehoeksverhouding

Laten we er even een driehoeksverhouding van maken. Een bouwbedrijf wil voor een bepaald project een werknemer inlenen. Het verstrekt netjes een exemplaar van zijn Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI en E) aan de formele werkgever van de betrokkene. Deze laatste geeft de RI en E, zoals de wet voorschrijft, door aan de te verhuren werknemer. Ziezo, er is aan de wet voldaan; iedereen heeft alles keurig op papier. Maar is het nu veilig geworden, kan de man (vrouw) aan het werk zonder onevenredig grote risico’s? Welnee, er is papier heen en weer geschoven. Terwijl het de bedoeling moet zijn dat degene die voor het bouwen verantwoordelijk is, de aannemer dus, alles doet wat in z’n vermogen ligt om ook ingeleende werknemers hun werk veilig te laten doen.

We moeten weg van wollige taal op geduldig papier. Het doel van het nieuwe wetsartikel is eenvoudig en duidelijk. Ingeleende werknemers moeten op heldere wijze op de hoogte worden gebracht van mogelijke gevaren verbonden aan het werk dat ze zullen gaan verrichten. Zij moeten weten welke risico’s ze lopen en welke maatregelen het bedrijf heeft genomen om die risico’s weg te nemen en wat er van hen wordt verwacht. De ingeleende werknemers dienen in dit verband even zorgvuldig en uitgebreid te worden geinformeerd als de eigen mensen van het bedrijf.

De herziene Arbowet kent in dit verband nog een nieuwe bepaling, die zegt dat een werkgever erop moet toezien dat de verstrekte informatie is overgekomen, dus dat de werknemer – eigen of ingeleend – de instructies naleeft.

Concreet betekent dit dat de aannemer ingeleende krachten moet begeleiden bij hun werk en ook toezicht op hun werken moet houden. Daar hoort informatie bij over daadwerkelijke gevaren en de maatregelen die er zijn getroffen om de risico’s te kunnen wegnemen. Er moet vooral mondeling worden gewezen op specifieke gevaren en er moet worden uitgelegd hoe daarmee dient te worden omgesprongen. De gebruikelijke papierstroom kan worden vervangen door een soort checklist waarin het bedrijf dat arbeid inhuurt, taakgericht informeert over de aard van het werk en de belangrijkste risico’s ervan. Een bedrijfs-RI en E is daarvoor geen geschikt middel, pak daarom het projectplan of V en G-plan.

Het bedrijf dat leerlingen van een samenwerkingsverband inleent, moet daartoe tijd van een ervaren leermeester reserveren; het kan een deskundige medewerker zijn, een betrouwbare ‘oude rot’, iemand die weet van de hoed en de rand.

Duidelijkheid

Zal het bedrijf dat met ingeleende mensen pleegt te werken, bij een eerste reactie niet echt blij zijn met de nieuwe bepaling van het Burgerlijk Wetboek, gezegd moet worden dat de drie betrokken partijen (uitlener, inlener en werknemer) thans weten waar ze aan toe zijn. Mits tenminste, daar kan niet genoeg de nadruk op worden gelegd, de ‘zwevende’ werknemer goed wordt geinformeerd.

Alle partijen zullen er baat bij hebben dat duidelijkheid is geschapen: het is de taak van de aannemer om er met concrete maatregelen voor te zorgen dat niet alleen zijn eigen medewerkers geen gevaar lopen bij hun werk maar ook degenen die hij voor het project inhuurt. Uitzendkrachten, oproepkrachten, leerlingen, stagiaires, ze zullen na ongevallen bij hem aankloppen. De wetgever legt de verantwoordelijkheid bij de (hoofd)aannemer, niet alleen strafrechtelijk maar ook civielrechtelijk. Hij lijkt me ook degene die deze verantwoordelijkheid het best aan kan.

Han Knegt, Aboma+Keboma te Ede

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels