nieuws

Architect

bouwbreed Premium

Op 82-jarige leeftijd overleed op 15 december architect Ernest Groosman. Hij behoorde tot de architecten die met grenzeloos optimisme na Tweede Wereldoorlog de toon aangaven voor de wederopbouwarchitectuur. Groosman was de eerste die er volledig van doordrongen was dat de woningnood alleen met geindustrialiseerde bouwmethoden kon worden bestreden. Zijn woningbouw droeg in belangrijke mate bij aan de architectuur uit de periode 1955-1965.

Bij Van Ravesteyn en daarna bij Van Tijen & Maaskant begon Groosman zijn architectenloopbaan. Hij tekende aan Diergaarde Blijdorp, aan het Groothandelsgebouw en aan het eerste woongebouw op het Zuidplein, alle inmiddels beroemde Rotterdamse gebouwen. Hij studeerde aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam. Direct daarna werd hij opgenomen in de architectenvereniging ‘de Opbouw’. Vanaf dat moment verkeerde hij in het inspirerend milieu van Bakker, Bakema, Haan, Maaskant, van Ravesteyn en Van Tijen, architecten waar Rotterdam het huidige stadsbeeld aan dankt.

In 1948 richtte hij zijn bureau op dat zou uitgroeien tot een van de grootste van het land. Ik had het voorrecht daar als student te werken en van hem te leren. In 1955 realiseerde hij zijn beste werk, de Parkflat, een voor die tijd luxe woongebouw schuin tegenover de Kunsthal. Met deze doos op poten, uit baksteen, glas en beton, leverde hij een prototype voor woningbouwarchitectuur. Een gebouw dat nog steeds gewild is bij vooraanstaande Rotterdammers waarvan sommigen er al vanaf het begin wonen.

Groosman en zijn generatie benaderden het woningbouwvraagstuk anders dan nu: minder ijdel en meer bereidwillig het ontwerpvraagstuk in het verlengde van door uitvoeringstechnieken aangedragen oplossingen te benaderen. Hun stedenbouw was ruim en open, zodat moderne technieken dankbaar als middel konden worden ingezet. Tienduizenden woningen ontwierp zijn bureau. Ze staan in Zuidwijk, Pendrecht, Alexanderpolder, Schiebroek, Schiedam, Vlaardingen, Maassluis, Hoogvliet, Rozenburg, Delft en overal elders waar prefab-bouwmethoden werden toegepast.

Toen na de ‘energiecrisis’ de weerzin tegen techniek en industrie de overhand kreeg, werd misprijzend gesproken over ‘kraanbaan stedenbouw’.

Voor Groosman was elk goed ontwerp in principe voor herhaling vatbaar en dat deed hij dan ook met professionele overtuiging en persoonlijke charme. Als een product blijkt te voldoen, waarom het dan niet herhalen, was zijn credo. Hij zag massawoningbouw als een maatschappelijke opgave waarbij niet steeds opnieuw het wiel kon worden uitgevonden. Bakema sprak in dit verband over de kwaliteit van de kwantiteit, wat Aldo van Eyck later omkeerde tot de kwantiteit van de kwaliteit, waarmee hij de Nederlandse architectuur van een loodzwaar moralisme voorzag. Groosman onttrok zich aan deze discussies, hij gaf de voorkeur aan praktische oplossingen.

Toen Groosman in 1994 de Oeuvreprijs van het Fonds voor Beeldende kunsten Vormgeving en Bouwkunst ontving, sloot het rapport met de passage: “De jury neemt deze gelegenheid dan ook graag te baat om voor een zorgvuldig behoud van dit bijzondere erfgoed te pleiten.” In verband met de op handen zijnde vernieuwing van naoorlogse wijken _ waar de meeste van zijn gebouwen staan _ is dit een advies dat hij ongetwijfeld pragmatisch zou hebben opgevat.

Carel Weeber

‘Elk goed ontwerp is in principe voor herhaling vatbaar’

Reageer op dit artikel