nieuws

‘Verloop van tijd’ moet grotere rol spelen

bouwbreed

Gebouwen verschillen op een essentieel punt van andere producten: ze gaan uitzonderlijk lang mee. Door verandering in gebruik en verbouwingen

leiden ze een dynamisch leven. Ontwerp en productiemethoden spelen echter in op de korte termijn, aldus corporatie-directeur Frank Bijdendijk.

Nemen wij de dynamiek van het verloop van tijd

serieus, dan zal dat van ingrijpende invloed zijn op de rolverdeling in de bouw.

In deze tijd van rationalisme en massaproductie zijn we er ons steeds meer van bewust geworden dat het gebouwde een maatschappelijke, politieke en economische betekenis heeft. Daarom wordt aan studenten bouwkunde niet alleen onderwijs gegeven in traditionele hoofdvakken als ontwerpen, architectonische vormgeving, geschiedenis van de bouwkunst, materiaalkunde en constructieleer, maar ook in vakken als bouweconomie, bouwkosten, vastgoedbeheer, psychologie, sociologie en volkshuisvesting.

We zijn het gebouwde ook gaan zien als een product, met een prijs- en kwaliteitsverhouding waarvoor een markt bestaat waar voorraad, vraag en aanbod een rol spelen. Waarop ook diverse actoren invloed hebben, zoals de overheid, de opdrachtgevers, de financiers, de gebruikers en de producenten. Ook het vak marktonderzoek heeft zijn intree gedaan.

Toch gaat een analogie met industrieel vervaardigde producten niet helemaal op. Gebouwen hebben drie specifieke eigenschappen waarin het van gewone producten afwijkt: hun afmetingen (ten opzichte van de mens), levensduur (ten opzichte van een mensenleven) en plaatsgebondenheid. Het is ook niet voor niets dat we voor dit product de term onroerend goed gebruiken; die term geeft de onbeweeglijkheid en de ogenschijnlijke onveranderbaarheid van dit product aan.

Synthese

Waardoor moeten architecten en bouwkundigen zich nu laten inspireren bij het zoeken naar een synthese tussen vorm en inhoud van het gebouwde? Zijn dat de constructieve principes, de wetten van de bouwfysica? Is dat de functie die het gebouwde moet dienen? Of moeten we gebouwen zien als trendy modeartikelen?

Het zijn deze vragen die voor verwarring zorgen binnen de diverse opleidingen voor bouwkunde.

Verwarring die in grote mate veroorzaakt wordt door het feit dat men het gebouwde ziet als een statisch object, als een uitgekristalliseerde uiting van een ontwerpproces. Het saillante van een bouwwerk is evenwel dat het na oplevering een dynamisch eigen leven kan gaan leiden. Want het beeld van een gebouw als onveranderbaar product is schijn: het kan een andere functie krijgen, worden aangepast, uitgebreid of van aanzien veranderd. Vandaar dat de reeks vragen over synthese van vorm en inhoud kan worden aangevuld met de vraag: Zou die inspiratie ook niet – meer dan tot nu toe het geval is – moeten voortkomen uit die bijzondere gedragingen van het gebouwde die te maken hebben met de factor tijd?

Waarde en kosten

Als we meer rekening houden met tijd als factor in het ontwerp en in de bouw komen tal van nieuwe begrippen aan de orde. We moeten dan praten over mogelijkheden voor veranderend gebruik, verschillen in levensduur van onderdelen van gebouwen (casco en inbouw) en infrastructuur, veroudering van materialen, beheer en exploitatie en – heel belangrijk – over waardeontwikkeling.

Waarde en waardeontwikkeling zijn begrippen die staan tegenover kosten en kostenontwikkeling. Vanuit de statische opvatting gaat men uit van het optimaliseren op kosten. Een gebouw wordt dan gezien als een product dat geconsumeerd wordt en dat volgens gangbare economische wetten kan worden afgeschreven. Wordt het gebouw evenwel gezien als een dynamisch product dan vindt er, in de loop der tijd, een waardeontwikkeling plaats die in veel gevallen zelfs leidt tot meerwaarde.

Optimaliseren op waarde kan een heel ander gebouw opleveren dan uitsluitend optimaliseren op kosten. Bij welk ander industrieel vervaardigd product is er immers sprake van waardeontwikkeling in en door het gebruik, afgezien van verzamelwaarde of zeldzaamheidswaarde?

Goed ontworpen en beheerde gebouwen worden niet geconsumeerd. Dat inzicht werpt een verrassend licht op het product gebouw en kan een specifieke inspiratiebron vormen voor ontwerpers.

Een goed inzicht in het gedrag van bouwwerken in de loop van de tijd is belangrijk. De voorraad gebouwen groeit immers nog steeds.

De jaarlijkse bouwproductie omvat overigens niet meer dan 1 tot 1,5 procent van de voorraad. Hergebruik, gekoppeld aan herinvesteringen in die voorraad, wordt daarom steeds belangrijker. Door de geldstromen die erin omgaan is het bestaande economisch dominant boven de nieuwbouw.

Leefbaarheid is daarbij van betekenis. Men zou meer dan tot nu toe oog moeten hebben voor het feit dat mensen, zeker in tijden van grote maatschappelijke en technologische veranderingen, behoefte hebben aan continuiteit. Iets dat slechts langzaam verandert levert een grotere bijdrage aan dat gevoel van beschutting. Daarom oefenen de oude Europese binnensteden nog altijd zo’n grote aantrekkingskracht uit, niet alleen op toeristen, intellectuelen en kunstenaars, maar ook op bewoners, bedrijven en de media. De rol die eeuwenoude stedelijke weefsels en afzonderlijke gebouwen daarbij spelen, kan moeilijk worden overschat.

Duurzaamheid is een begrip dat niet alleen te maken heeft met materiaalgebruik, energiegebruik en ruimtegebruik. Het heeft ook te maken met onze omgang met de gebouwde omgeving en de waarde die we eraan toekennen. Om een sprekend voorbeeld te noemen: de oude grachtenpanden in onze binnensteden voldoen nauwelijks aan de huidige richtlijnen voor duurzaam bouwen. Toch hebben ze, door hun eeuwenlange bestaan, een immens grote bijdrage geleverd aan het zorgvuldig omgaan met bouwmaterialen en met de gebouwde omgeving.

Er is de laatste jaren nogal wat onderzoek gedaan naar de waardering van gebouwen. Systematisch blijkt dat de waardering voor oude gebouwen groter is dan voor nieuwe. Waardering van de gebruikers is in hoge mate bevorderlijk voor de duurzaamheid van de gebouwen die zij gebruiken.

Misplaatst functionalisme

Het functionalisme heeft als denkrichting zijn waarde verloren. Het heeft geleid tot het oplossen van deelproblemen, omdat het al analyserend, per definitie, een vraagstuk opsplitst in deelvragen. De optelsom van de deeloptimalisaties levert meestal geen optimaal geheel op – zie bijvoorbeeld de Amsterdamse Bijlmermeer met zijn optimale wegen, fietspaden, voetgangersgebieden, parkeergarages, groen, winkels en woningen, die geen optimale leefomgeving opleverden. Het gebouwde plaatsen in een tijdsperspectief kan helpen het geheel te blijven zien.

Het functionalisme sloot nauw aan bij de begrippen ‘soberheid’ en ‘doelmatigheid’. Ook deze begrippen hebben ons op het verkeerde been gezet door hun eenzijdigheid. Ze hebben de aandacht gefixeerd op de kosten in plaats van op de waardeontwikkeling. Zuinigheid hoeft lang niet altijd te leiden tot optimale waarde. Optimaliseren uitsluitend op kosten zonder de toekomstige opbrengsten mee te optimaliseren, leidt tot verspilling.

Ten slotte moet worden geconstateerd dat de bouwmarkt momenteel zeer verbrokkeld is. Daardoor zijn alle afzonderlijke partijen gericht op het optimaliseren van hun eigen belang. Dit leidt tot denken op de korte termijn, iets dat per definitie in tegenspraak is met het lange termijn karakter van de gebouwde omgeving. De productiewijze is dus in tegenspraak met het wezen van het product. Door het wezen van het product centraal te stellen zou de productiewijze en de rolverdeling wel eens ingrijpend beinvloed kunnen worden.

Studie

Het is al met al dus hoogst actueel om het gedrag van gebouwen in de tijd centraal te stellen. Er zijn daarbij tal van onderwerpen om te bestuderen en onderwijzen. Om er enkele aan te duiden:

ù Het veranderend gebruik van gebouwen in de tijd. Welke gebouwen blijven functioneren, welke niet? Aan welke eisen moeten gebouwen voldoen om over een zeer lange termijn blijvend te kunnen functioneren?

ù De verschillende tijdscycli in gebouwen. Ieder gebouw bestaat uit een aantal lagen rondom het casco, dat doorgaans het langst meegaat. De huid van een gebouw kan een afwijkende levenscyclus hebben en in ieder geval geldt dat voor de installaties, de indeling en de afwerking. Een nauwgezette analyse van deze lagen, en de spanning daartussen, kan bijdragen aan verlenging van de levensduur van gebouwen.

ù Exploitatie en beheer van gebouw en omgeving. Hoe gaan eigenaren om met gebouwen en de locatie? Welke eisen stellen ze?

ù Gedrag van materialen en constructies op lange termijn. Hoe houden ze zich in constructief, bouwfysisch en esthetisch opzicht?

ù Veranderend gebruik van stedelijke structuren. Welke stedelijke gebieden blijven functioneren, welke niet? Aan welke eisen moeten ze voldoen? Het betreft hier een studie naar de processen van upgrading en downgrading, de dynamiek, de stofwisseling van de stad.

ù Herontwikkeling van gebouwen, stedelijke ruimtes, wijken en buurten.

ù Reactie van mensen op gebouwen en de gebouwde omgeving in de tijd. Waaraan hechten mensen zich, waaraan kennen ze waarde toe?

ù De economie. Hoe ontwikkelt zich de meerwaarde van gebouwen?

Ir. F.Ph. Bijdendijk is directeur van woningbouwvereniging ‘Het Oosten’.

Dit artikel is een verkorte versie van het artikel “Bouwkunst als tijdkunst” uit de bundel Vastgoed Reeel (Uitg. DUP, ISBN 90-407-1951-9).

Een kantoor in de Amsterdamse Vondelkerk. Foto: Hollandsche Hoogte

Onroerend goed

leidt dynamisch leven

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels