nieuws

Architect speelbal tussen welstand en stedenbouw

bouwbreed Premium

Stedenbouwers geven in hoofdlijnen aan hoe iets moet worden. Welstandscommissies kunnen daar andere ideeen op na houden. Het slachtoffer: de architect en diens opdrachtgever die het ongerijmde moeten zien te rijmen.

De geschiedenis van de ZuiderToren in Den Haag illustreert dit proces. Een lijdensweg die na twee jaar en vele varianten eindigde met de maquette waarmee het allemaal begon.

Al zijn het bij een gemeente formeel gezien niet de stedenbouwers die bepalen wat er gebeurt – want dat doet de gemeenteraad – ze zijn natuurlijk wel machtig. Zij hebben de expertise, bereiden het beleid voor en geven het vorm. Hoe een stad in hoofdlijnen moet worden – bouwvolumes en bestemmingen – komt voor een belangrijk deel uit hun koker.

Idealiter is dat het kader waarbinnen welstandscommissies plannen toetsen. Maar zeker in een grote stad is de schemerzone groot tussen wat wel en niet mag, wat op papier is vastgelegd of nog slechts voornemens zijn. Het officiele beleid loopt nog wel eens achter op de dynamiek van de ideeenvorming.

In dat vacuum kan er dan tweespalt ontstaan tussen wat de stedenbouwers wenselijk vinden en wat de welstandscommissie nodig acht. De welstandcommissie is een zelfstandige adviescommissie die haar eigen koers kan varen.

Idealiter zou een afwijzing door welstand niet een groot probleem hoeven zijn, want het college van B en W kan een negatief advies naast zich neer leggen. Bijvoorbeeld omdat de eigen stedenbouwers dat influisteren. Maar zover komt het zelden. In de praktijk is zoiets altijd traumatisch – zowel voor de welstandsleden die zich gepasseerd voelen als voor de bestuurders die veelal het verwijt krijgen van autocratisch optreden. Een negatief advies van welstand is voor architect en opdrachtgever bijna altijd aanleiding het huiswerk over te doen.

Nog ingewikkelder wordt het als er een supervisor, stadsarchitect of stadsstedenbouwer tussendoor fietst. Hoeveel gewicht legt zijn advies in de schaal? De architect die tussen deze raderen vermalen dreigt te worden moet maar zien uit te vinden welke koers hij het beste kan varen.

Dit probleem kwam kortgeleden indringend naar voren bij de eerste paal voor de ZuiderToren in Den Haag. Architect Marcel Kampman toonde een cirkel van zeven maquettes. Evenzovele stadia in een lijdensweg van ruim twee jaar waarin hij en zijn opdrachtgever IBC Vastgoed speelbal waren tussen stedenbouwers en welstand. Het begon met een ideetje voor een toren in de vorm van een ellips op de plek van een oud kantoor. Nee, zei stedenbouw, het moet lager en meer aansluiten bij de omgeving. Toen kwam welstand. Die zag de laagbouw en opperde dat een toren veel beter zou zijn. Heen en weer gestuurd tussen het kastje en de muur – welstand, stedenbouw, stadsstedenbouwer en wethouder – volgden diverse aanpassingen. Tot er uiteindelijk weer een elliptische toren uitrolde die vrijwel hetzelfde was als het oorspronkelijke ontwerp.

De verspilling aan tijd en geld in dit proces is groot geweest. Ontwikkelaar en, in mindere mate, de architect draaien daarvoor op. Aspecten die een rol moeten spelen in de discussie die momenteel gevoerd wordt over de veranderingen in welstand die staatssecretaris Remkes van VROM wil doorvoeren. Hij wenst duidelijker criteria bij de beoordeling van plannen en een controleerbare besluitvorming. Daarbij zou de relatie met het ambtelijk apparaat en het gemeentelijk beleid meer aandacht moeten krijgen. Hoe autonoom kunnen welstandscommissies opereren?

‘De vormgeving van de stad is in stukjes geknipt’

Bij de eerste paal voor de ZuiderToren deed architect Kampman gedetailleerd verslag van het ontwerpproces. Een verhaal over zeven maquettes:

“Begin 1995 benaderde IBC Vastgoed ons om een schets te maken voor woningbouw op een voormalige kantoorlocatie aan de Troelstrakade. Wij vonden dat als je ergens een markante toren kon plaatsen in Den Haag dit de uitgelezen plek was.

De grondeigenaar – Domeinen – weigerde alle biedingen op deze locatie. Maar de gemeente was gecharmeerd van ons plan en sprong bij om het toch gerealiseerd te krijgen. IBC verwierf de locatie en wij kregen opdracht om in overleg met de afdeling Stedenbouw een plan te ontwikkelen.

Hoewel IBC op basis van ons schetsje met een ellipsvormige toren de grond verkreeg, voelde Stedenbouw niets voor hoogbouw. De buurt was toegezegd dat er geen hoogbouw zou komen. Het uiterste model was een laag gebouw, op de kop iets hoger dan de bestaande bebouwing.

Net in die tijd stelde de gemeente een “stadsstedenbouwer” aan. Hierop was onze hoop gevestigd. Met drie modellen gingen wij naar hem toe: de massamaquette die Stedenbouw had voorgesteld, de ellipsvormige toren en en eenzelfde afgeplatte toren, die niet hoger was dan de acht lagen die Stedenbouw als maximum had gesteld.

De stadsstedenbouwer spaarde de kool en de geit. Hij ging de confrontatie met Stedenbouw niet aan, hoewel duidelijk was dat hij ook niet erg gecharmeerd was van hun voorstel. Wij moesten maar een toren maken die erg mooi was maar minder solitair en die rekening hield met de eisen van Stedenbouw. Wij moesten dus een toren maken die niet op een toren leek.

Hierna werd de stadsstedenbouwer afgeschermd door Stedenbouw. Wij moesten onze schetsen inleveren bij Stedenbouw. Alles wat op een toren leek werd afgekeurd. Het gebouw werd steeds vormlozer en lager. Bovendien kwamen er ook steeds minder woningen in het plan. Omdat IBC de locatie met support van de gemeente had gekocht op basis van een woontoren met een hoger aantal woningen, kwam onze opdrachtgever in het geweer. Onder druk van IBC en tot ongenoegen van Stedenbouw is toen het aantal woningen weer verhoogd.

Zo ontstond in een moeizaam proces van ruim een jaar een plan dat bol stond van de compromissen. We hadden een laagbouw waar een aantal lagen op waren gezet en alles was gedaan om het maar niet op een toren te laten lijken. Maar het was akkoord wat de stadsstedenbouwer betrof.

Hij had met een delegatie van de welstandscommissie gesproken, en ook zij waren akkoord.

Daarom togen we november 1997 vol goede moed naar de vergadering van de welstandscommissie.

De kritiek echter was vernietigend. Als commentaar op ons plan klonken er uitroepen als “vreemde drietrapsraket” en “rare slagroomtaart”. Kort samengevat: het leek wel een laagbouwplan waar een aantal lagen op waren gezet of een toren die geen toren mocht zijn. Ironisch gezien zou je kunnen zeggen dat uit de kritiek bleek dat wij er dus voor honderd procent in waren geslaagd de randvoorwaarden van Stedenbouw te vervullen.

Ik vroeg aan de voorzitter hoe deze kritiek te rijmen was met het feit dat de stadsstedenbouwer had gezegd dat welstand akkoord was. Na wat overleg achter de tafel bleek men het inderdaad met de stadsarchitect over dit plan gehad te hebben en men was inderdaad met deze massa akkoord gegaan. Maar het was een zeer beperkte delegatie van welstand geweest, want er waren veel mensen, onder wie de voorzitter, ziek geweest.

Omdat er geen eensluidende kritiek was geweest, presenteerden wij twee weken later nog eens hetzelfde plan. De welstandscommissie kwam toen met waardevolle suggesties om de bestaande laagbouw door te zetten en op de kop een toren te maken. Wat ik dus anderhalf jaar geleden al verzonnen had. Ze hadden de massa in overleg met de stadsarchitect dan wel goedgekeurd maar vonden nu eigenlijk dat deze erg lelijk was.

Op onze vraag wat dan met de stedenbouwkundige randvoorwaarden moesten worden gedaan, kwam een diplomatiek antwoord. Vrij vertaald: wij moesten die maar in een enveloppe doen, kijken wat de beste intentie voor de plek was en van daaruit een mooi gebouw maken. De stadsstedenbouwer was inmiddels weer vertrokken. Het stedenbouwkundig vooronderzoek was afgerond. Dus Stedenbouw was ook uit beeld.

Tekenwerk

Op zich waren wij het roerend eens met de kritiek van welstand, maar wij konden op dat moment anderhalf jaar tekenwerk in de prullenbak gooien. Opdrachtgever IBC gaf daarom tegengas; in verband met de voortgang van het werk wilde men niet alle tekenwerk opnieuw laten uitvoeren. Dus werd eerst een toren gemaakt op basis van het afgekeurde rechthoekige concept.

Welstand was blij met de toren maar vond de vorm te weinig allure hebben.

Omdat uit overleg met aannemer Muwi bleek dat de rechthoekige vorm ingewikkeld was om in prefab te realiseren konden wij uiteindelijk IBC overhalen te kiezen voor een ellipsvormige toren. Dit plan werd uitgewerkt en er werd het was inmiddels oktober 1998 – een afspraak gemaakt met welstand. De maquettebouwer maakte een maquette en bracht die twee uur voor de welstandsvergadering langs. Groot was de schrik: door onverklaarbare reden was er een schaalfout gemaakt en was de toren anderhalf maal te breed uitgevoerd. Wat te doen? Inderhaast werd de maquette die ooit als eerste aan de stadsarchitect was getoond afgestoft en meegenomen naar Welstand. Hij klopte wel niet geheel in detail maar voldeed goed.

Dit was het gebouw! Het had allure! Welstand keurde de massamaquette goed. Dezelfde maquette die de stadsstedenbouwer anderhalf jaar eerder van tafel had geveegd.”

Lijdensweg

“Het ontwerp figureert in het jaarverslag van welstand. Dat laat zien hoe de architect van een rare slagroomtaart is gekomen tot een ellipsvormige toren. Maar dat is slechts de helft van het verhaal. In Cobouw werd toendertijd over dit proces geschreven als “de lijdensweg die welstand heet”. Maar de andere helft van is de lijdensweg die stedenbouwkundig overleg heet.

Achteraf gezien, kun je zelfs stellen dat welstand niet de eigenlijke lijdensweg was. Want het gebouw is in het stedenbouwkundig overleg verworden van een mooie toren tot een slagroomtaart, en onder invloed van welstand is dit proces gekeerd.”

Moraal

“Wij hebben onze strijd gestreden omdat wij vonden dat het eerste idee het beste was. Daarom is het ontwerp ons dierbaar. Den Haag heeft het juiste gebouw op de juiste plek verkregen. Maar wat is de moraal van het verhaal? Het gaat niet over een architect die klaagt over moeizame procedures. Het gaat over de ‘knip’ die de gemeente zelf maakt in haar vormgevingsbeleid. Je kunt niet en een stadsstedenbouwer en een welstandcommissie naast elkaar een stad laten vormgeven. Het beste zou zijn als de een voorzitter zou zijn van de ander. Als dat formeel gezien onmogelijk is – omdat de een in dienst is van de gemeente en de ander een toegevoegde adviesraad – moet in ieder geval gezocht worden naar een betere afstemming.”

De lijdensweg tussen welstand en stedenbouw. Het begon met de eliptische toren linksonder. Stedenbouw eiste aanpassingen (met de klok mee). Onder druk van welstand ontstaat echter weer een toren, tot vrijwel het eerste ontwerp definitief wordt (midden).

De kritiek van welstand op de ‘drietrapsraket’ was vernietigend

Reageer op dit artikel