nieuws

Voorlopig geen plaats voor mestverwerking in Duiven

bouwbreed Premium

Onze ingewikkelde wetgeving blijkt af en toe zelfs voor bestuurders te moeilijk. Dat de gewone burger niet in staat is om door de bomen het bos te zien is niet verwonderlijk, maar dat politici de weg niet weten geeft te denken.

Gelukkig zijn er in ons land instanties die misgrepen van politici kunnen corrigeren, zoals de onafhankelijke rechter. Hij kan soms zelfs op de plaats gaan zitten van het bestuur door zelf het besluit te nemen zoals dat door de politici had moeten gebeuren. Een sprekend voorbeeld daarvan gaf een jaar geleden de Afdeling bestuursrechtspraak, toen die bezwaarschriften voorgelegd kreeg van bewoners uit de buurt waar in Duiven een mestverwerkingsinrichting gebouwd moest worden.

Daarvoor moest eerst een nieuw bestemmingsplan worden gemaakt, waardoor naast het bedrijfsterrein waarop al een afvalverbrandingsinrichting en een rioolzuiveringsinstallatie staan, een mestverwerkingsinrichting en een GFT-composteringsinrichting gebouwd konden worden. De gemeente-bestuurders hadden echter niet goed gekeken naar het Streekplan Midden-Gelderland van 1987. Daarin stond dat het betreffende gebied bestemd was voor agrarisch gebruik.

Vernietigd

Toen het bestemmingsplan van Duiven op 12 september 1994 werd vastgesteld, gold dat streekplan nog steeds. Het werd pas in 1996 vervangen door het streekplan Gelderland, waarin met de oprichting van de beide nieuwe inrichtingen wel rekening was gehouden. Omdat je als bestuurder nu eenmaal niet vooruit mag lopen op nieuw beleid dat nog niet formeel gestalte heeft gekregen, kon Duiven zijn nieuwe bestemmingsplan niet zo maken als het deed.

Kwalijker was echter, dat het plan werd goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Gelderland. Dat had nota bene zelf het streekplan waarmee het in strijd was had opgesteld. Goedkeuring had immers pas gegeven kunnen worden na de herziening van dat streekplan.

Daarom kregen de indieners van bezwaarschriften gelijk. De rechter vernietigde het goedkeuringsbesluit van GS.

De rechter kan bij een dergelijke kwestie nagaan of er aanleiding bestaat om “zelf in de zaak te voorzien”. Dat betekende in dit geval dat de rechters zelf goedkeuring konden verlenen aan die gedeelten van het bestemmingsplan waarvoor geen vernietigingsgrond bestond.

Er was echter nog een heel ander bezwaar tegen het goedkeuringsbesluit van GS aangevoerd. Duiven was niet alleen op het nog niet vastgestelde Streekplan Gelderland 1996 vooruitgelopen, het had ook nagelaten een milieu-effect rapportage (MER) te maken.

MER

Toen het bestemmingsplan werd vastgesteld gold het Besluit MER van 1994. Op grond daarvan moet de aanleg van een bedrijfsterrein aan een MER worden onderworpen in alle gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van honderd hectare of meer. De vaststelling van een ruimtelijk plan (zoals een gemeentelijk bestemmingsplan) dat als eerste in de mogelijke aanleg van een bedrijfsterrein voorziet, wordt beschouwd als een MER-plichtig besluit.

Nu was voor de bouw van de afvalverbrandingsinstallatie al in 1973 een bouwvergunning verleend en twee jaar later was dat gebeurd voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Omdat de MER-besluit pas zo’n 20 jaar later het licht zag gold de MER-plicht voor die installaties niet. Maar voor de uitbreiding van het bedrijfsterrein vanzelfsprekend wel. Het Duivense bestemmingsplan was immers het eerste plan, dat in die uitbreiding voorzag.

Toch was de in dat plan voorziene uitbreiding in de ogen van deze rechters niet MER-plichtig, omdat de oppervlakte ervan minder dan honderd hectare bedroeg. Het bezwaar tegen de GFT-inrichting werd daarom niet, maar dat tegen de mestverwerkingsinrichting wel gehonoreerd.

Behoorlijk bestuur

De klager had er op gewezen dat in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (beter bekend als de Vinex) staat, dat grootschalige mestverwerking moet plaats vinden in overschotgebieden. En omdat de gemeente Duiven niet zo’n gebied is, zou het bestemmingsplan in strijd met de Vinex zijn.

De rechters lieten zich over dat formele bezwaar echter helemaal niet uit. Op een heel andere grond kwamen zij tot de conclusie, dat het goedkeuringsbesluit op dat punt niet deugde. Het onderdeel van het bestemmingsplan waarin de deelbestemming “bedrijfsdoeleinden mestverwerking” was opgenomen had om een heel andere reden niet goedgekeurd mogen worden. Omdat deze mestverwerkingsinrichting niet binnen de planperiode zou worden gerealiseerd mag je zo’n plan niet goedkeuren. Doe je dat wel dan handel je in strijd met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Op die grond werd voor de mestverwerkingsinrichting goedkeuring aan het bestemmingsplan onthouden.

Die kan dus voorlopig daar niet gebouwd worden. Maar aangezien men dat toch niet binnen tien jaar van plan was, is er nog genoeg tijd om overheidsbeleid en planologische voorwaarden voor de bouw op elkaar af te stemmen. Maar zou dat, gezien de ernst van het mestprobleem in ons land, niet wat vlugger kunnen ?

(BR 1999 p.766)

Mr. Math Verstegen

Reageer op dit artikel