nieuws

Bewaak energiesubsidies voor opdrachtgevers

bouwbreed

Aannemers missen opdrachten omdat ze soms onnodig hoog inschrijven. Gebruik bijvoorbeeld de investering die nodig is om energie te besparen als ‘unique selling point’. Dit kan door te berekenen welke jaarlijkse besparing op de exploitatiekosten die investering in energiebesparing genereert. Als de aannemer goed met zijn opdrachtgever overlegt, kan zijn inschrijving voordeliger worden.

Veel aannemers rekenen slecht met de energiebesparingsubsidies die een bouwopdrachtgever kan verkrijgen. Om binnen de begroting te kunnen bouwen, wordt regelmatig in het bestek beknibbeld op de toepassing van energiebesparende voorzieningen. Maar een energiebesparende investering van bijvoorbeeld 200.000 gulden kan een opdrachtgever met een bv aan vennootschapsbelasting circa 33.250 gulden besparen (47,5 procent van 200.000 = 95.000 * 35 procent VpB = 33.250).

Ook de esthetische normen die de architect aan een gebouw stelt, vormen soms een bottleneck voor subsidies. Zo wordt in de subsidie-eis voor Energie-Investeringsaftrek (EIA) van HR-++ glas een voorwaarde aan de lichtdoorlatingscoefficient gesteld. HR-++ glas met een U-waarde van maximaal 1,2 W/m2K (Watt per vierkante meter Kelvin) en een lichtdoorlatingscoefficient van minimaal 70 procent, kwalificeert zich voor de EIA. Maar kiest de architect HR-++ glas met zonwerende goudfolie die te veel zonlicht tegenhoudt, dan krijgt de opdrachtgever geen subsidie op de beglazing. Zo kunnen bouwesthetiek en energiesubsidie op gespannen voet met elkaar staan.

Ook met de keuze van isolatiemateriaal volgens de norm die kwalificeert voor EIA worden vaak fouten gemaakt. De EIA-norm voor een kwalificerende investering in isolatiemateriaal – voor bijvoorbeeld buitenmuren – is een R-waarde van minimaal 3m2K/W. Maar vaak wordt de RC-waarde (inclusief constructiemateriaal) van een isolatiemateriaal gehanteerd (de R-waarde is dan lager) en wordt niet aan de norm voldaan.

Energielijst

De energie-investeringsaftrek (EIA) is een fiscale aftrekregeling voor investeringen in bedrijfsmiddelen die op de zogenaamde ‘energielijst’ van het ministerie staan. Deze lijst met bedrijfsmiddelen wordt jaarlijks door de ministeries van EZ en Financien (de Belastingdienst) samengesteld. Vanaf april is de Energielijst 1999 van kracht. Voor het eerst geeft deze lijst voor bouwwerken twee mogelijkheden voor EIA-aftrek, volgens een generieke energiebesparingsnorm of per specifiek bedrijfsmiddel.

Om volgens de generieke regeling EIA te kunnen toepassen, moet het totale energieverbruik van bijvoorbeeld een bestaand gebouw worden vergeleken met het toekomstige verbruik in relatie tot de nieuwe energiebesparende investeringen. De energiebesparingsnorm is 0,25 Nm3 aardgasequivalenten per geinvesteerde gulden per jaar. Als in een bestaand bouwwerk de investering in energiebesparingsmaatregelen door toepassing van bijvoorbeeld wand-, vloer-, dakisolatie, HR-beglazing, HR-verwarming en energiezuinige verlichting een besparing per geinvesteerde gulden oplevert volgens de besparingsnorm of hoger, kwalificeert het gehele investeringsbedrag zich bij de opdrachtgever voor de EIA-aftrek. De generieke regeling is vooral van belang voor de renovatie- en restauratiesector.

Een aannemer kan zijn opdrachtgever ook attenderen op de EIA-aftrek van investeringen in specifieke bedrijfsmiddelen die op de energielijst voor bouwwerken expliciet met naam en toenaam zijn genoemd.

De melding van een specifiek bedrijfsmiddel met EIA-aftrek is eenvoudiger dan aftrek volgens de generieke regeling. Daarvoor is immers een projectbeschrijving met berekeningen nodig die de potentiele energiebesparing aangeven. Meestal moet een aannemer die de generieke regeling wil toepassen, door een deskundige berekeningen laten uitvoeren.

Investeringsaftrek

De EIA-aftrek is gekoppeld aan een tabel van negen schijven met elk een afzonderlijk aftrekpercentage. Voor investeringen tussen 3800 en 64.000 gulden die zich kwalificeren voor EIA, bedraagt de aftrek 52procent. In de hoogste schijf van EIA-investeringen van 495.000 gulden en hoger is de aftrek nog 40 procent van het investeringsbedrag. Het minimale bedrag per bedrijfsmiddel bedraagt duizend gulden. De opdrachtgever mag EIA-aftrek in mindering brengen op de fiscale winst voor vennootschapsbelasting.

Stel dat een opdrachtgever 64.000 gulden investeert in EIA-bedrijfsmiddelen, dan mag hij daarvan 52 procent (33.280 gulden) aftrekken van zijn winst. In zijn bv bespaart de opdrachtgever over dat aftrekbedrag 35 procent VpB (11.648 gulden). Effectief levert deze EIA-investering de opdrachtgever dus een netto voordeel op van 18,2 procent.

Bij EIA-investeringen van 495.000 gulden in een jaar is het effectieve netto voordeel nog veertien procent van het investeringsbedrag.

Non-profit

Niet VpB-plichtige opdrachtgevers in de non-profit sector zoals overheidsinstellingen, ziekenhuizen, scholen, of een sportvereniging die in buitenverlichting wil investeren, heeft in plaats van de EIA recht op EINP-subsidie. Zij ontvangen rechtstreeks van het ministerie over het geinvesteerde bedrag in kwalificerende energiebesparingsmaatregelen een subsidie tussen 14,5 en 18,5 procent.

Woningcorporaties kunnen – zoals verwacht – vanaf oktober 1999 geen beroep meer doen op een EINP-subsidie. Daarvoor in de plaats komt een energiepremie die het energiebedrijf verstrekt. De overheid wil onder andere voor de renovatie van bestaande woningbouw een energieprestatiekeuring invoeren. Het gaat onder meer om bestaande isolatiemaatregelen, dichtzetten van galerijen en balkons, toepassing van HR-combiketels.

MIA

Dezelfde systematiek van investeringen in energiebesparende bedrijfsmiddelen (EIA) wordt dit najaar ook van toepassing op investeringen die het milieu sparen. Verwacht wordt dat de Milieu-Investeringsaftrek (MIA) per 1 oktober 1999 wordt toegestaan. Het gaat bijvoorbeeld om bedrijfsmiddelen die onder andere emissies via rookgassen en verontreiniging van het oppervlaktewater verminderen.

De MIA kan straks naast de reeds sinds enige jaren van kracht zijnde VAMIL-regeling (vrije afschrijving milieu-investeringen) worden toegepast.

Een opdrachtgever mag investeringen in bedrijfsmiddelen die op de VAMIL-lijst staan, in een jaar van zijn resultaat voor belastingen afschrijven.

Meldingsplicht

Een opdrachtgever moet binnen drie maanden nadat hij de verplichting in een EIA- en/of MIA-investering is aangegaan, melden aan Bureau EIA in Breda. In principe kan een opdrachtgever een offerte een langere periode laten liggen. De datum van de opdracht is echter bepalend voor de aanmeldingstermijn van drie maanden. De opdrachtgever ontvangt na aanmelding van de overheid een beschikking. Als de melding te laat gebeurt, weigert de fiscus de aftrek. Een opdrachtgever kan de EIA en MIA pas toepassen in het jaar waarin de kosten zijn gemaakt. Let echter op dat een opdrachtgever die een melding voor de EINP-subsidie wil doen, dit voor de datum van de opdracht moet doen.

Mr. Wilbert van der Burgh in samenwerking met ir. Frank Kiliaan, Adviesgroep Subsidies Ernst en Young Belastingadviseurs, Sector Bouw en Onroerend-Goed, Rotterdam. Tel.: (010) 407 27 85.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels