nieuws

Wordt Vijfde Nota slalommen in de mist?

bouwbreed

Binnenkort verschijnt de Houtskoolschets, ofwel de Startnotitie voor de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Mr. Friso de Zeeuw meent dat het Regeerakkoord het kabinet een mooie gelegenheid biedt om op strategisch niveau een helder kader neer te zetten voor het nationaal ruimtelijk beleid op de langere termijn.

Het politiek bestuur heeft de kans richting te geven op hoofdlijnen, selectief te zijn en de bijna onuitroeibare verkokering die de verschillende beleidssectoren scheidt nu eens te doorbreken. Naarmate hoofdlijnen en kader helder en duidelijk zijn, kan men meer ruimte geven aan regio’s (gemeenten, provincies, soms regionale samenwerkingsverbanden). Die zijn doorgaans beter in staat om programma’s en projecten te formuleren met een integrale, gebiedsgerichte aanpak. Dan ook dienen zich mogelijkheden aan voor publiek-private samenwerking die die naam daadwerkelijk verdient.

De vraag is nu: gaat het kabinet deze unieke kans grijpen? Als we afgaan op de concepten die tot nu naar buiten zijn gekomen (de Cobouw-versie), de ministeriele en ambtelijke geluiden en de publieke discussie, ziet het er somber uit. Ik zal dat toelichten.

Compromis

Het jargon van de ruimtelijke ordening grossiert in vage begrippen en concepten. Op zich verklaarbaar als het de uitdrukking is van een politiek of vakinhoudelijk compromis. De kreet ‘gebundelde deconcentratie’ uit de jaren zeventig, blijft wat dat betreft een fraaie. Maar dan wist je nog wat er mee bedoeld werd.

Naar het zich laat aanzien, gaan we op dit front een nieuw hoogtepunt beleven. Voor de stedelijke ontwikkeling kan je nu ongestraft, in wisselzang de volgende normatieve begrippen gebruiken: ‘de compacte stad’ (“dat begrip houdt zijn geldigheid”, aldus RPD-directeur Vriesman), ‘de complete stad’, ‘de vitale stad’ en (nieuw!) ‘de netwerkstad’. Als wethouder Noordanus van Den Haag daar het perspectief van de ‘de ontspannen stad’ naast zet, valt dat nauwelijks meer op. Zo verloederen concepten tot inhoudsloze kreten.

Wat ik ook link vind, is de wederopstanding van het begrip ‘ruimtelijke kwaliteit’. Op zich best relevant, noodzakelijk zelfs, om daarover te discussieren, om goede voorbeelden te etaleren, en als rijksoverheid stimulerende activiteiten te ontplooien. Maar als volwaardig sturend onderdeel van rijksbeleid? Het leidt maar tot rare ideeen als een ‘rijkswelstandscommissie’.

Corridor

De teloorgang van het begrip ‘corridor’ is ernstiger. Bij het ontbreken van een eenduidige definitie legt ieder het nu uit op de manier welke het beste strookt met de eigen belangen of zienswijze. De geest is uit de fles: elke regio, gemeente en bedrijf heeft straks ‘recht’ op zijn eigen corridor, ook al is het maar een kleutercorridor. De druk van onderop is bijzonder groot, zoals wij allen weten en kunnen aanschouwen.

De uitholling die de selectief bedoelde ‘stedelijke knooppunten’ hebben doorgemaakt, zal erbij verbleken. De erosie van de corridor heeft ingezet en men raakt steeds verder af van de oorspronkelijke bedoeling: benutten en versterken van knooppunten van vervoer bij de steden voor bepaalde typen (logistieke) bedrijvigheid. Voor deze selectieve invulling op plaats en functie is forse inzet van rijkszijde nodig, met wellicht aanvullend instrumentarium.

Ik merk daar weinig van. Het is illustratief dat vice-voorzitter Lubberhuizen van het AVBB toch een van de hoofdsponsors van de corridor-gedachte, tegenover Cobouw de vrees uit voor ongebreidelde lintbebouwing en de vaagheid kraakt. Corry Konings zong het al: ‘Huilen is voor jou te laat’, terwijl Corry Brokken nog twijfelde (‘Waarheen, waarvoor?’).

Een ander aspect dat tot nu toe te vaag blijft, is de kwestie hoe (de aanzet tot) de Vijfde Nota zich verhoudt tot de actualisering van de Vinex. In de tijd gezien hebben we hier te doen, zo lijkt het, met een haasje-over effect. In theorie kan men de zaak misschien nog netjes achtereenvolgend plaatsen, een soort beleidsmatige filevorming. In werkelijkheid is het natuurlijk zo dat nieuw beleid, en dan vooral de lekkere brokjes (denk aan de corridors), onmiddellijk invloed op de praktijk zal uitoefenen.

Gemiste kans

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft in zijn rapport ‘Ruimtelijke ontwikkelingspolitiek’, verschenen in februari 1998, zinvolle aanbevelingen gedaan voor vernieuwing. Op basis van evaluatie van de beleidspraktijk, doet de WRR suggesties voor verbetering van het wettelijk instrumentarium, voor flexibilisering van de rolverdeling tussen de centrale en de lagere overheden en voor een beter samenspel tussen overheid en bedrijfsleven. Het is allemaal nog een aanzet, maar het materiaal wacht al bijna een jaar op uitwerking. Ik heb niet het idee dat men in de Startnotitie veel verder zal komen. Het zou opnieuw een gemiste kans zijn.

Ook over de aanpak van de stapeling van juridische (beroeps)procedures, een erkend knelpunt in de ruimtelijke ordening, wordt weinig vernomen.

Tenslotte wil ik een gokje wagen hoe het kabinet zelf, op politiek niveau, met de nota omgaat. Er doen zich niet veel gelegenheden voor die uitnodigen om er met elkaar meer van te maken dan het zoeken naar een politiek compromis in de laatste fase van de besluitvorming (waar op zich niks mis mee is).

Het komt er dan vooral op aan hoe je de voorbereiding van de besluitvorming organiseert. De geluiden die uit het voorbereidend circuit doorsijpelen, maken de kans op politieke meerwaarde niet groot. En daarmee zou weinig terechtkomen van de beoogde doorbreking van de beleidssectoren die immers gekoppeld zijn aan verschillende departementen en ministers.

Het is al met al geen opsomming die vrolijk stemt: het heeft veel weg van slalommen in een mist van vage begrippen. Maar misschien valt het allemaal dik mee en maakt minister Pronk alsnog zijn credo waar: ‘Niet slalommen maar kiezen’. In dat geval ontleent deze beschouwing zijn betekenis aan een woord uit de catechismus: ‘Ellende, verlossing, dankbaarheid’.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels