nieuws

‘Ontwikkelaar betaalt voor archeologisch onderzoek’

bouwbreed Premium

meteren – Als een kaasschaaf snijdt de graafmachine dunne plakjes uit de grond. Net zolang tot een meters diep, vierkant gat ontstaat. Aan een van de wanden van dat gat zit een donkere vlek in de vorm van een reusachtig ei. “Een beerput”, constateert archeoloog Sylvia Greyer. Ze doet opgravingen in een weiland in Meteren, vlakbij Geldermalsen. De plek waar over een paar jaar de Betuweroute komt te liggen.

Haar ogen speuren in de diepte. “Je komt allerlei spullen tegen in zo’n put. Om eens wat te noemen: vandaag kwam er een stukje van een weefgetouw te voorschijn.”

Over ongeveer twee jaar is archeologie een vast onderdeel van het bouwproces. Nederland ondertekende het Verdrag van Malta en daaruit vloeit voort dat een wet moet worden gemaakt die projectontwikkelaars verplicht tot archeologisch onderzoek voordat ergens iets wordt gebouwd.

Zo’n wet voorkomt dat het ‘bodemarchief’ – resten uit het verleden van vuistbijl tot kasteelfundering – verloren gaat. Voor archeologen betekent dat werk aan de winkel, voor bouwers rompslomp. Althans zo lijkt het. “Zowel de archeologen als projectontwikkelaars en aannemers zullen er aan moeten wennen”, erkent Boudewijn Goudswaard, manager archeologie bij de aanleg van de Betuweroute.

Grote problemen verwacht hij niet. “Tien, vijftien jaar geleden werd bodemsanering een verplicht onderdeel van het bouwproces. Dat was toen net zo nieuw als tegenwoordig het archeologisch onderzoek. Nu is bodemsanering de gewoonste zaak van de wereld. Zo zal het ook gaan met archeologie.”

Archeologenbureaus

Het terrein dat Sylvia Greyer samen met andere archeologen onderzoekt, ligt ingeklemd tussen een spoorbaan en een snelweg. Enorme ‘molshopen’ markeren de plekken waar de opgravingen in volle gang zijn.

De archeologen huurden een gespecialiseerd aannemersbedrijf in om de bodem af te graven. “Dat moet heel precies gebeuren”, vertelt Sylvia Greyer. “Je kunt niet zo maar een schop in de grond steken of met een shovel aan de gang gaan. Er zijn maar een paar aannemers die zo’n karwei aan kunnen. Het is een specialisme.”

Het archeologisch onderzoek mag in de toekomst hoogstens een procent van de totale bouwsom kosten, weet Boudewijn Goudswaard. In het geval van de Betuweroute – totale kosten 9,3 miljard gulden – blijven de kosten van het oudheidkundig spit- en graafwerk hier nog onder. De projectontwikkelaar, in dit geval NS Railinfrabeheer, heeft deze kosten ingecalculeerd in de totale begroting.

Het bodemarchief zal meestal worden onderzocht door gespecialiseerde archeologenbureaus. Nu al is een aantal van deze organisaties actief. “Maar ik kan me ook voorstellen dat bouwers archeologen in dienst nemen.”

De Projectgroep Archeologie Betuweroute is een samenwerkingsverband tussen de Projectorganisatie Betuweroute en de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) De archeologen regelen alles wat met opgravingen te maken heeft. “We zorgen er onder meer voor dat de bouw geen last heeft van de opgravingen. Stuiten we op iets heel bijzonders, dan overleggen we met de projectstaf over uitstel van het werk of in het uiterste geval over aanpassen van het traject. Zwaar, maar erg interessant.”

Archeoloog Greyer wijst de plek aan waar een paar dagen geleden een slachtplaats uit de bronstijd werd ontdekt. Zo op het eerste gezicht niets meer dan een gat in het weiland, maar de archeologe raakt er niet over uitgepraat. “Tot nu toe hebben we op dit terrein drie vindplaatsen. We proberen er achter te komen hoe die met elkaar in verband stonden. Daarom maken we kleine putjes tussen de plekken waar we iets interessants aantreffen. Op die manier moet de samenhang duidelijk worden. Ik verwacht dat we hier minimaal drie boerderijen vinden. Dat leid ik af uit sporen van runderen die we hier aantroffen.”

De archeologen gaan niet zo maar in het wilde weg graven, benadrukt Goudswaard. “We maken eerst een selectie van mogelijke vindplaatsen. Dat kan gebeuren aan de hand van archiefmateriaal en door steekproefsgewijs de bodem te onderzoeken.”

Niet elke potentiele opgravingsplek gaat op de schop. Op het traject van de Betuweroute bevinden zich 260 plekken die voor archeologen interessant zijn. Daarvan worden slechts dertig onderzocht. “We onderzoeken alleen wat echt belangrijk is. Als het kan bewaren we de archeologische informatie liever veilig in de bodem.”

Vuursteensnippers

Sylvia Greyer opent de deur van een soort bouwkeet die dient als expositieruimte. In een vitrine liggen houtskoolresten, minuscule potscherven, botten van runderen en stukjes vuursteen.

Voor de leek zijn de voorwerpen niet spectaculair, maar Greyer spreekt er over met aanstekelijk enthousiasme. Haar blik gericht op een potscherf met een vaag streepjesmotief: “Dat is de potbekercultuur. Je kunt het zien aan de versieringen. En die vuursteensnippers zijn ontstaan toen ruim drieduizend jaar geleden werktuigen werden gemaakt van vuurstenen. De vrouwen en kinderen maakten dat soort aardewerk. De mannen werkten op het land.”

Ondanks dat het oudheidkundig onderzoek is afgerond voordat de Betuweroute wordt aangelegd, bestaat de kans dat tijdens werkzaamheden interessant materiaal boven de grond komt. Dat hoeft niet spectaculair te zijn zoals de fundering van een kasteel, het kan ook een boomstronk zijn of slachtafval zoals botten.

Om dit soort incidentele vondsten te beoordelen, is permanent een archeoloog betrokken bij de aanleg van de Betuweroute. Projectvoorlichter Hanneke de Louw: “We hangen posters op in bouwketen waarmee we de mensen vragen ons direct in te lichten als ze iets vinden. Zodra we een telefoontje krijgen, sturen we iemand om poolshoogte te nemen. In principe leidt dat niet tot vertraging van de bouw. Het is een methode om zoveel mogelijk zekerheid te hebben dat geen waardevolle spullen verloren gaan.”

Voordat de aanleg van de Betuweroute begint, wordt het traject onderzocht op oudheidkundig interessante voorwerpen. Speciaal hiervoor is een projectgroep in het leven geroepen.

Reageer op dit artikel