nieuws

Bossche School beschreven als ‘tres catholique’

bouwbreed Premium

De Bossche School is dood, leve de Bossche School. Die gedachte dringt zich op bij het lezen van de geschiedschrijving van kunsthistoricus Frans Jozef van der Vaart (in het dagelijks leven overigens ook advocaat te Enschede) over deze na-oorlogse stroming in de architectuur.

Van der Vaart heeft het kerkelijke element in deze stroming als invalshoek gekozen. Tweederde van het boek waarop hij kortgeleden promoveerde, gaat over de plaats van bedelordes in het Europese stadsleven en met name in Den Bosch. Hoewel het verband tussen deze ingredienten en de Bossche School vergezocht is, is het niet onlogisch. De Bossche School is tenslotte gegroeid uit een cursus kerkelijke architectuur, die in ‘s-Hertogenbosch gegeven werd van 1946 tot 1973, waarbij de Benedictijner monnik Hans van der Laan (1904-1991) de boventoon voerde.

Vanuit historisch en sociologisch oogpunt is het waardevol wat Van der Vaart naar boven heeft weten te halen. Hoe na de oorlog bisschoppen, pastores en allerlei andere notabelen uit de katholieke zuil zich inzetten om de grootschalige nieuwbouw van kerken en kloosters in goede banen te leiden.

Ons-kent-ons

Tussen de regels door komt scherp naar voren hoe architecten in deze zuil, in een benauwende ons-kent-ons sfeer functioneerden. Het was ook binnen de architectuur een wat aparte kongsie, met een eigen tijdschrift en critici die zich sterk maakten voor de ‘katholieke’ theorieen. Vandaar dat Van der Vaart concludeert dat de Bossche School ‘tres catholique’ was.

Het behoeft weinig uitleg dat de tijd van katholieke architectuur – wat dat ook wezen moge – voorbij is sinds het verdwijnen van de verzuiling. Maar nog jarenlang is dat katholieke etiket een handicap geweest voor een serieuze architectonische discussie. Pas latere generaties, niet gestigmatiseerd door het Rijke Roomse Leven, konden daardoor weer oog krijgen voor de interessante thema’s die wel degelijk waren aangesneden. Vandaar het gevoel ‘de Bossche School is dood, leve de Bossche School’ dat het boek oproept. In de woorden van Van der Vaart: “In de loop van haar geschiedenis was de Bossche School welhaast permanent onderwerp van heftige discussies. Veranderingen in Kerk en samenleving maakten tenslotte een eind aan de Bossche School als onderwijsinstelling. Als een visie op architectuur blijkt zij evenwel school te hebben gemaakt en leeft zij voort.”

Plastisch getal

Wat voortleeft is volgens Van der Vaart de eigenlijke visie van deze stroming, niet de katholieke entourage, want die was bijzaak. Als het eigenlijke noemt Van der Vaart de specifieke vormentaal en de theorie van het ‘plastisch getal’. Inderdaad is dat wat in de toenemende stroom publicaties nu de aandacht krijgt, Van der Vaarts eigen, kerkelijke invalshoek is een uitzondering. Met name door het architectuurtheoretisch onderzoek van de Engelse architect/docent Padovan is er ook buiten Nederland sprake van toenemende belangstelling voor de theorie van het plastisch getal, een verhoudingsgetal zoals de Gulden Snede. Ook de bouwwerken van Van der Laan ondervinden steeds meer waardering.

Revival

Onbetwist is dom Van der Laan de grote geest achter de Bossche School. Zonder diens theoretische bijdrage zou de kerkelijke cursus al gauw een stille dood zijn gestorven. Ook de enkele gebouwen die Van der Laan tot stand bracht staan nog als een huis. Kloosters in Vaals en het Belgische Waasmunster, en een patio-villa in Best zijn krachtige uitroeptekens bij zijn theorie.

Van der Vaart weet met de juiste kritische distantie te typeren in welk milieu Van der Laan opereerde, maar gaat te weinig in op de theorie zelf en op de merites van Van der Laans architectonisch werk. Een kort overzicht van de latere receptie van dat werk – dus niet die van de tijdgenoten – had niet misstaan. Dat had de relevantie ook van dit proefschrift duidelijker gemaakt. Want de centrale vraag van Van der Laan, naar de grondslag van architectuur, is nog immer actueel.

Wat de theorie betreft legt Van der Vaart de nadruk op de neo-thomistische achtergrond. Inderdaad speelt de revival van de middeleeuwse filosoof Thomas van Aquino in Van der Laans tijd een belangrijke rol. Maar het is een omissie om geen aandacht te besteden aan Van der Laans latere interesse in de fenomenologie. Als excuus kan aangevoerd worden dat het Van der Vaart meer gaat om personen en omstandigheden, en minder om bronnen en inhoudelijke discussies. Daarmee is deze geschiedschrijving wel ‘katholieker’ uitgevallen dan de architectuur van de Bossche School in wezen was.

F.J. van der Vaart: ‘Bedelordekloosters, ‘s-Hertogenbosch en de Bossche School’; uitg. Nijmegen University Press, f. 65,00, ISBN 90-5710-065-7

Typerend voor Bossche School: de St.-Catharinakerk in Heusden van architect Nico van der Laan, geinspireerd op vroeg-christelijke basilieken.

Reageer op dit artikel