nieuws

Kansen voor de middenmoot De strategie van het middelgrote bureau Van den Dikkenberg en Bons Architekten

bouwbreed Premium

veenendaal – Van architectenbureaus wordt steeds meer gevergd. Neem alleen al de toenemende regelgeving die ze moeten beheersen. Ook opdrachtgevers stellen steeds hogere eisen. Bovendien staat van kleine bureaus het rendement onder druk. Dat ze tegen de verdrukking in toch kunnen groeien bewijst Van de Dikkenberg en Bons uit Veenendaal. Reden voor een analyse van een succesvolle strategie.

Het begon met een telefoontje. Dat ze als eerste architectenbureau gecertificeerd werden volgens de nieuwe beoordelingsrichtlijn van BNA en ONRI. Nu is certificering binnen de architectenbranche zeldzaam maar geen groot nieuws. Opvallend was wel dat het een betrekkelijk anonieme middenmoter betrof. En wat nog meer tot de verbeelding sprak: in 1992 werkten er in het bureau slechts zes man, tegen vijfentwintig nu. De certificering was een stap in een weloverwogen strategie. En dat in een tijd dat er weliswaar sprake is van hoogconjunctuur maar ook – en al langer – van toenemende concurrentie voor de architectenbranche. Architectenbureaus hebben taken verloren aan andere specialisten en hun rendement, zeker dat van de kleintjes tot vijf man personeel, is niet om over naar huis te schrijven. Hoe lukt het Van den Dikkenberg en Bons om tegen deze trends in een positie op te bouwen? Hoe werken ze toe naar honderd procent zeggenschap over het bouwproces, terwijl de trend veel architecten dwingt genoegen te nemen met slechts deelopdrachten?

Typen

Grofweg zijn er wat omvang betreft drie typen architectenbureaus te onderscheiden. Er is een twintigtal grote bureaus met meer dan vijftig werknemers, er zijn vele honderden bureaus met minder dan tien werknemers en daartussenin zit een beperkte groep van pakweg tweehonderd middenmoters.

De grote bureaus zijn professionals die alle denkbare diensten kunnen bieden. Bij de kleinere en middelgrote bureaus zijn er die bewust niet willen groeien en zich vooral richten op de conceptuele, zeg maar artistieke kant van het vak. De diensten die ze niet in huis hebben huren ze in bij facilitaire bureaus. Voor de middenmoters is de vraag of er leven is tussen artisticiteit en grootschaligheid.

Architect Jan van den Dikkenberg begon zijn bureau in 1953. Het is niet vreemd dat er de nodige ups en downs waren, want in de jaren tachtig is een hele generatie bureaus verdwenen onder een vloedgolf jong talent. Toen Ton Bons in 1992 toetrad tot Dikkenbergs bureau werkten er nog slechts zes man van de ooit meer dan twintig. Bons, die overstapte van een groot bureau, zocht een eigen bureau met groeipotentieel. Met zijn komst begon Van den Dikkenberg en Bons een nieuwe levenscyclus.

Prijsvragen

Bons begon met een rondje langs oude opdrachtgevers en vertelt: “Mijn vraag was hoe zij het bureau zagen, en wat bleek? Ze wisten absoluut niet wat er omging, ze hadden lang niets van het bureau gehoord en dus was het langzaam uit beeld geraakt.”

Om weer aan de bak te komen werd in een jaar tijd meegedaan aan maar liefst zestien prijsvragen, voor bestaande en nieuwe opdrachtgevers. Een riskante strategie, want de vergoeding bij dit soort gelegenheden weegt maar deels op tegen de kosten. Win je niets, dan sta je met lege handen. Tegelijkertijd werd een jonge architect in dienst genomen als aanvulling op de ervaren projectleiders die nog in het bureau waren overgebleven.

Over de risico’s doet Bons luchtig: “De kost gaat voor de baat uit. Je moet investeren in mensen en in werk.” Hij kan nu luchtig doen, want met het winnen van veertien prijsvragen kreeg het bureau gelijk de wind in de zeilen.

Nu, ruim vijf jaar later, omvat het bureau vierentwintig mensen, het kantoor wordt uitgebreid, het aantal opdrachtgevers is gegroeid van nog geen tien tot ongeveer vijftig. Op het briefpapier staan steeds weer nieuwe projecten afgebeeld.

Toeval

Op de vraag of die groei een kwestie is van toeval, antwoordt Bons gedecideerd: “Je kan heel veel doen om je doel te bereiken. Je kan kiezen of je groot wil worden of klein wil blijven. In de huidige omstandigheden is onze grootte, zo’n vijfentwintig man, goed. Niet omdat ik dat vind, maar omdat de markt dat dicteert.”

“Deskundigheid vergt een zekere schaal. Architecten hebben dat voor het eerst gemerkt bij het invoeren van automatisering. Tot dan toe hoefden ze niet meer kosten te maken dan voor potlood en papier. Maar toen moest geinvesteerd worden en kwamen de processen binnen een bureau ter discussie.”

Nu is een omvang van vijfentwintig man gewenst, meent Bons, om alle regelgeving te kunnen beheersen. Grote opdrachtgevers beklaagden zich bij hem dat ze in het verleden schade hadden geleden omdat de betrokken architecten het bouwbesluit niet goed kenden. Het bureau moest kunnen garanderen dat voldaan werd aan alle regels en normen. Dankzij de certificering kan daaraan worden voldaan.

Proces

Bons: “Het is een trend in de maatschappij dat er steeds meer normen komen om een eindresultaat veilig te stellen. In andere sectoren leidt dat tot schaalvergroting. Architecten kunnen voor elke regel een andere deskundige inhuren. Onze koers is: wat tot de gereedschapskist van de architect hoort moeten we zelf doen. De huidige regels zijn weliswaar niet erg ordentelijk, maar ze zijn een gegeven, we moeten ermee werken. Bovendien, hou je je afzijdig, dan loopt het bureau ook honorarium mis. Belangrijkste argument om dit soort zaken in eigen hand te houden is echter dat het bureau daarmee zijn positie bij opdrachtgevers kan versterken.”

“Ook speelt dat facility managers werken aan een standaard voor de documenten die aan het eind van een bouwproces moeten worden overgedragen. Laat je zoiets over aan hen of aan projectmanagers, dan gaan zij bepalen hoe een architectenbureau zijn proces moet opzetten. Dat willen wij in eigen hand houden, net zo goed als de keuze van onze adviseurs. Greep op het proces is belangrijk om greep op het project te houden. En alleen dan is de kwaliteit van het project te garanderen. En die insteek, het leveren van goede projecten, moet zorgen voor continuiteit in de relatie met opdrachtgevers.”

Na een volledige opdracht krijgen opdrachtgevers een CD-ROM met alle documenten die voor het beheer van belang zijn. Dit is een van de voorbeelden van verbeteringen waaraan het bureau systematisch heeft gewerkt. Het bureau voerde nieuwe interne afspraken en standaardprocedures in. En toen men organisatie-adviseur Zanbergen tegen het lijf liep, groeide het idee om alles te plaatsen in het kader van certificering.

Over het inschakelen van dit eenmansbureau vertelt Bons: “Je moet niet alles zelf willen doen. Iemand van buiten kan een spiegel voorhouden. Certificeren is een manier om op een andere manier naar je eigen organisatie te kijken en je zwaktes te leren kennen. Het doel is daarbij niet om alles op een standaard manier te doen, maar om je eigen manier te standaardiseren.”

Noem het niet kwaliteitszorg, want dat klinkt te zorgelijk. Noem het professionalisering, stelt Bons voor. Het gaat erom het werk op een hoger plan te brengen, het vak beter uit te oefenen. Bij de certificering bleek bovendien dat het werk met een man minder kon worden gedaan. En de verzekering gaf korting op zijn polis.

Markt

Vanwege Europese aanbestedingen en daarvan afgeleide selecties wordt steeds vaker naar certificering gevraagd. Vijf tot tien procent van de opdrachtgevers van Van den Dikkenberg en Bons stelt deze eis, en dat aantal neemt toe.

“Een grote opdrachtgever vertelde dat hij nu nog werkt met dertig architecten maar dat aantal wil terugbrengen naar een stuk of zes. Hij had drie grote grieven tegen architecten”, herinnert Bons een recent gesprek. “Architecten maken fouten tegen de regelgeving en dat berokkent hem schade. Architecten houden te star vast aan hun standaard contractregels en houden daarbij te weinig rekening met zijn specifieke omstandigheden als professionele opdrachtgever. En welstandsperikelen kosten hem geld.” Bij de steeds vaker voorkomende artikel 19-procedures is een positief welstandsadvies cruciaal voor de voortgang van de vergunningsaanvraag. Maar architecten blijken soms niet eens in staat hun plan fatsoenlijk toe te lichten, zo vertelde deze opdrachtgever aan Bons.

Greep

Dit soort opdrachtgevers bepaalt de markt; zij leggen aan architectenbureaus op hoe die zich moeten ontwikkelen, is de overtuiging van Bons. Dat betekent overigens niet per se schaalvergroting – ook voor atelier-achtige bureaus met de nadruk op conceptuele ontwerpen blijft een markt.

Bij Van den Dikkenberg en Bons werken nu vier generaties architecten.

Het doel voor de komende jaren is nog slechts beperkt te groeien. De groei wordt bepaald door de maximale span of control van tien tot twaalf werknemers per verantwoordelijk architect.

‘Wat tot de gereedschapskist van de architect hoort, moeten we zelf doen’.

Reageer op dit artikel