nieuws

Bouwbesluit vooral goed voor uitgevers Regering belooft vereenvoudiging in 2000

bouwbreed Premium

den haag – Het bouwbesluit en de bijbehorende NEN-normen zijn juridisch waterdicht. Het kan zeker eenvoudiger, maar dat hangt op de eerste plaats af van een voorzet van de betrokken marktpartijen. Streefjaar voor die vereenvoudiging blijft 2000 om fouten door haastwerk te vermijden. Dit antwoordt de regering op kamervragen over het bouwbesluit. Een peiling onder architectenbureaus leert dat zij alleen kunnen werken met het bouwbesluit dankzij duurbetaalde hulp van diverse uitgevers.

Het bouwbesluit is in opspraak. Het begon met het proefschrift van de Amsterdamse advocate Mirjam Elferink over de juridische status van normalisatienormen. De vele normen waarnaar het bouwbesluit verwijst zouden niet rechtsgeldig zijn. Bovendien, zo schreef vervolgens de bouwkundige Hennie Kokkeler in Cobouw, is het bouwbesluit onwerkbaar. Door de vele wijzigingen en aanvullingen heeft niemand meer een goed overzicht. Ook leiden tegenstrijdige definities in bouwbesluit en NEN-normen tot toenemende begripsverwarring.

Op de kamervragen hierover hebben minister Korthals van Justitie en staatssecretaris Remkes van VROM een serie sussende antwoorden geformuleerd. Ze komen erop neer dat bouwbesluit en bijbehorende normen een juridisch gezien waterdicht geheel vormen en dat vereenvoudiging weliswaar nuttig is, maar niet versneld wordt nagestreefd. Voor een betere overzichtelijkheid wordt het bouwbesluit namelijk herschreven in schema’s en tabellen en dat is een nieuw juridisch hoogstandje. “Het risico moet worden vermeden dat door haastwerk de kwaliteit van het geconverteerde bouwbesluit onvoldoende wordt”, schrijft Remkes.

Vindplaats

Volgens Elferink hadden alle normen waarnaar het bouwbesluit verwijst, gepubliceerd moeten worden in de Staatscourant. Omdat dat niet is gebeurd, zouden ze niet rechtsgeldig zijn.

Minister Korthals bestrijdt dat met een verwijzing naar de Bekendmakingswet. Die verplicht niet tot integrale publicatie in de Staatscourant. Vereist is slechts een verwijzing naar de vindplaats van de normen. Het gaat erom dat de kenbaarheid voor alle betrokkenen voldoende verzekerd is. In eerdere discussies met de Kamer bestond volgens Korthals consensus dat voldoende invulling aan deze bekendmaking werd gegeven met publicatie van slechts de normreferenties in de Staatscourant. Voor de complete norm kan men zich tot het NNI wenden, waarbij de prijs uiteraard niet “prohibitief” mag zijn. “Wij hebben geen aanwijzingen dat zulks thans het geval is”, meent Korthals.

Staatssecretaris Remkes sluit daar in zijn antwoorden op aan. “De ontwikkeling van normen is een verantwoordelijkheid van de marktpartijen binnen een door het Nederlands Normalisatie-instituut geboden kader”, schrijft hij. Als normen niet naadloos aansluiten op het bouwbesluit is het “primair de verantwoordelijkheid van de marktpartijen zelf om dit te verbeteren”. Wel toont Remkes zich bereid om de taken en verantwoordelijkheden ten aanzien van bouwnormalisatie nog eens tegen het licht te houden om te kijken of “actualisering” van de bestaande afspraken met het NNI nodig is.

Wat de vereenvoudiging betreft legt Remkes ook de eerste verantwoordelijkheid bij “het veld”. Van het Overlegplatform Bouwregelgeving verwacht hij “een voorzet”. Aanleiding om de conversie te versnellen ziet hij niet in alle commotie. “Het streven is in 2000 een geconverteerd bouwbesluit in werking te laten treden”, aldus Remkes. Dat zou moeten gebeuren in de vorm van “schemawetgeving”, wat een complexe en nog niet eerder vertoonde operatie is. Daarom wenst Remkes geen “haastwerk”.

Uitgevers

Zo fel en principieel als projectleider Hennie Kokkeler van het Enschedese ontwerp- en adviesbureau IAA zijn zijn collega’s van andere bureaus niet. Maar, zo leert een kleine peiling, dat wil niet zeggen dat de regelgeving goed is. Men heeft zich geschikt in het onvermijdelijke, dat ermee moet worden gewerkt. Dat uitgevers garen spinnen bij de heersende onduidelijkheid is onmiskenbaar. Hun dure nieuwsbrieven, handboeken en cursussen worden vaak genoemd als onontbeerlijke hulpmiddelen.”En bij lang lopende projecten moet je natuurlijke alle oude versies van de regelgeving goed bewaren”, waarschuwt projectleider Ruud Raaphorst van het Haagse Atelier Pro.

Bouwregelgeving-coordinator S. Coronel van de Architectengroep uit Amsterdam roemt de cd-rom van Bris. Die werkt snel om de laatste versie van een norm en de toelichting te vinden. “Het is wel erg duur, net als de te dure NNI-normen.” Een jaarabonnement en enkele up-dates kosten tegen de tienduizend gulden. Het bijhouden van de regels noemt Coronel een hele toer. “Zo’n vijf tot zes keer per jaar komt er een pak papier van honderdvijftig bladzijden met wijzigingen en supplementen op het bouwbesluit en de normen.”

Nevenregelgeving

Storend wordt allerlei ‘nevenregelgeving’ genoemd, zoals Seniorenlabel, Handboek voor Toegankelijkheid, Politiekeurmerk, Duurzaam Bouwen en uiteenlopende gemeentelijke richtlijnen. Raaphorst: “Wij zijn benieuwd of die in het geconverteerde bouwbesluit worden geintegreerd”. Zijn collega F. Koppelaar van het Rotterdamse Kokon geeft als voorbeeld dat je alleen al bij zoiets simpels als de afmeting van een kozijn rekening moet houden met drie regelingen: het bouwbesluit, de garantieregeling van timmerfabrikanten KVT en het Politiekeurmerk.

Ook uit Europa komen nieuwe regels, waarschuwt Coronel. Verschil in normen voor brandhaspels heeft hem al veel tijd gekost. En hij ziet een hele strijd over de uitloophoogte boven liften. De Europese norm is lager dan de Nederlandse. Bovendien wil Kone Starlift een hogere uitloop en voelt het Liftinstituut zijn greep verslappen. Coronel: “Wie gelijk krijgt en wat op een bepaald gebied de norm wordt is ook een strijd van bedrijfsbelangen”.

Brandveiligheid

Als meest gewraakte onderdeel van de huidige regelgeving worden de brandveiligheidseisen genoemd. De onduidelijkheden en interpretatieverschillen zijn daar het grootst. Alles wat afwijkt van de gangbare praktijk geeft problemen.

Wat is het rookgetal van traptreden van Tatajubahout? Wat is de vuurbelasting van een televisie-studio? Niet alledaagse vragen, maar wel voorbeelden uit de praktijk waarvan architecten horendol zijn geworden. Vooral bij restauraties is het toepassen van de brandveiligheidseisen ingewikkeld. Berekeningen en bepalingen van ‘gelijkwaardige’ oplossingen zijn lastig. En wat het nog ingewikkelder maakt: per gemeente kan de interpretatie verschillen. Architectenbureau Oving kon een bepaald type kozijn wel toepassen in Den Haag en Rotterdam maar niet in het eigen Groningen.

Bouwregelgeving-coordinator S. Coronel van de Amsterdamse Architectengroep herkent dat. “Voor brandveiligheidseisen hebben wij in het bureau een aparte deskundige. Die merkt verschil in kennis tussen grotere en kleinere gemeenten; die laatsten gaan bij voorbaat aan de veilige kant zitten. Dat is moeilijk voor ontwerpers die willen vernieuwen. Er zijn wel allerlei hulpboeken maar die hebben geen officiele status. En de boeken van de Nederlandse Brandweer Federatie zijn zo ingewikkeld geschreven dat het je na een paar regels gaat duizelen.”

‘Allerlei regelgeving is storend’

is allerlei nevenregelgeving

Reageer op dit artikel