nieuws

Kijk uit voor anonieme dozen

bouwbreed Premium

Het is een onschuldig ogend tussenzinnetje in het jaarlijkse overzicht van de meest opmerkelijke Nederlandse gebouwen dat het Architectuurinstituut uitgeeft. Er vindt ‘een zekere voortgang in supermoderne richting’ plaats in de Nederlandse architectuur.

Maar kijk uit, als deze mode aanslaat betekent het dat het land de komende jaren overspoeld zal worden met ‘objecten die weinig of niets loslaten over hun functie en bestemming en op geen enkele manier aansluiten bij hun omgeving’. Dozen dus, zoals de redactie van het Jaarboek ze zonder enige gene noemt. Het liefst zo groot en anoniem mogelijk. Zoiets als het voormalige Maupoleum bijvoorbeeld of de woningbouw in de Bijlmer. Modern en dan nog een tikkeltje erger: supermodern dus.

In het Jaarboek zijn tweeentwintig gebouwen gedocumenteerd. Omdat de presentatie rommelig is en de beschrijving summier, is niet altijd duidelijk waarom deze gebouwen nu de top vertegenwoordigen. De vier samenstellers vermelden openhartig dat de selectie eentiende is van de tweehonderd gebouwen die ze hebben bekeken.

Scoren

Op supermoderne wijze bekeken, mogen we wel zeggen: ze hebben ze er in acht dagen tijd doorheengejaagd tijdens een tocht van drieduizend kilometer. Een simpele rekensom maakt duidelijk dat dus in gemiddeld zeventien minuten per gebouw het oordeel is geveld. En dan ben ik uitgegaan van een onwaarschijnlijk hoog gemiddelde van vijftig kilometer per uur, acht uur slapen en anderhalf uur ravitailleren.

Als dat de ‘bezonkenheid’ is waarmee critici tegenwoordig oordelen, dan doen architecten er goed aan daar rekening mee te houden. Ze moeten dus zorgen dat hun gebouwen in een oogwenk kunnen scoren. Daarna mag verval en tegenzin intreden, en zo’n lange termijn-begrip als bruikbaarheid doet er natuurlijk helemaal niet meer toe.

Zijn de gebouwen in het Jaarboek zo slecht? Nee, dat zou de vele goede architecten die Nederland telt onrecht aandoen. De woningbouw van Claus en Kaan mag er abstract en ‘dozig’ uitzien, als louter repetitie van raampjes, het zijn zorgvuldig gemaakte plannen. Het is ook zeer verdedigbaar, gezien de hoge dichtheid, dat de woningbouw van Christiaanse, DKV, Meyer en Van Schooten, Neutelings Riedijk, Van der Pol en Zeinstra op het Amsterdamse GWL-terrein van buiten een zekere anonimiteit heeft, zeker waar deze van binnen wordt gecompenseerd door een ruime variatie aan woningtypes met uitgekiende ontsluiting. Geestig is dat NL Architects van een warmteoverdrachtstation voor de stadsverwarming in Leidsche Rijn een raadselachtig, met zwart rubber bekleed ‘ding’ maken, en dat Neutelings een drukkerij geheel bekleedt met letters. En dat de Groningse School van de Architectuur door de architecten Huijsinga en Koek helemaal is vermomd in houten latjes, geeft rust aan de wat warrige plek waar het staat.

Supermodernisme

Zo’n enkele rariteit her of der, zelfs als het om grote gebouwen gaat als de woningbouwcomplexen van Van Gameren en Mastenbroek, is een aardig accent. Dat heeft – tongue in cheek – nog iets spannends. Maar er verschijnen ondertussen te veel van dit soort recht toe recht aan blokken. Er zijn te veel architecten die weer flirten met de grote schaal en leegte, zoals die te vinden is in de nieuwbouwwijken van de jaren zestig en vroege jaren zeventig en in de grove stadsdoorbraken die toen de binnensteden teisterden. Of in de woorden van de redactie van het Jaarboek: er is ‘een zekere voortgang in supermoderne richting’ te bespeuren. Dat mag dan leuk zijn als je er snel langsrijdt, het valt echter te betwijfelen of het langer dan zeventien minuten voldoet qua gebruikswaarde, sociale controle, degelijkheid, symboliek, ornamentele versiering, herkenbaarheid, geborgenheid – om een serie ouderwetse begrippen nog eens in herinnering te roepen.

Wie zich aan supermodernisme waagt, doet er goed aan ook de lessen over de tekorten van het modernisme nog eens ter harte te nemen.

Reageer op dit artikel