nieuws

Valbeveiliging tijdens het aanbrengen van vloer- en dakelementen

bouwbreed

Het beveiligen van vloeren en daken tijdens de bouw is in de regel toegespitst op de randen. Dit is ook heel belangrijk, maar er is meer. Ook tijdens het aanbrengen van vloer- of dakplaten is er valgevaar, en wel aan het legfront. In de regel wordt er, behalve bij daken van bedrijfshallen, aan het legfront niet beveiligd. Je kunt dan weliswaar maar een verdieping vallen, maar de valhoogte is meestal meer dan 2,5m en kan oplopen tot 3,5 – 4 m.

Het gevaar is er dus en bovendien schrijft de wet voor dat vanaf een valhoogte van 2,5 m moet worden beveiligd.

De wettelijke plicht is duidelijk, maar veel minder duidelijk is hoe je dan moet beveiligen. Wij hebben contact gezocht met enkele vertegenwoordigers van de Arbeidsinspectie (waaronder de bedrijfstakcoordinator) en hen een aantal vragen voorgelegd. Vervolgens hebben we ze gezamenlijk beantwoord. Om de gedachte te bepalen: het gaat om vloeren en daken die in onderdelen/elementen worden aangebracht zoals kanaalplaatvloeren, schilvloeren, gasbetonelementen, metalen dakplaten, vloerbekistingssystemen.

Wij gaan in deze nota dus voorbij aan randbeveiligingen omdat hierbij het uitgangspunt moet zijn dat passende beveiliging aanwezig is voordat het betreffende vloer- of dakgedeelte wordt betreden. Bijvoorbeeld door middel van steigers, uitsteeksteigers, randtafels, randnetconstructies of vooraf aangebracht leuningwerk.

Vraag 1 Indien stalen dakplaten worden gelegd op hoogten lager dan 4 – m, is het dan zinvol met netten te werken?

Netten hangen vaak door omdat ze onvoldoende gespannen zijn en on voldoende bevestigingspunten hebben. Een val in het net kan dan nog slecht aflopen, ook door tijdens de val obstakels te raken, zoals onder delen van een staalconstructie.

Netten mogen, zelfs vanaf 2,50 m hoogte worden toegepast. Echter, onder de 4 m moet extra zorg worden besteed aan voorspanning en bevestiging (maximaal h.o.h. 2,50 m) van het net. Voorwaarde is dat een vallend persoon niet de onder het net gelegen vloer raakt en ook geen obstakels. Zonodig kan dat op het werk proefondervindelijk worden vastgesteld, bijvoorbeeld met een proeflast van 100 kg (N.B.: de norm voor netten is NEN-EN 1263-1 en 2).

Een alternatief is het werken met veiligheidslijnen en harnasgordels.

Hoewel collectieve maatregelen (bijvoorbeeld netten) boven individuele gaan, geeft de Arbeidsinspectie geen proces-verbaal als een systeem met lijnen en gordels functioneel is en goed wordt nageleefd.

Dit betekent in de praktijk dat prefab-voorzieningen aan de staalcon structie moeten worden aangebracht, bijvoorbeeld hulpstaanders voor lijnen.

Vraag 2 Welke valbescherming kan worden aangebracht bij het plaatsen van kanaalplaatvloeren, schilvloeren, gasbetonelementen en vloerbekistingssystemen?

Het eronder aanbrengen van netten of verplaatsbare steigers stuit meestal op praktische bezwaren vanwege de draagconstructie van de vloer, zoals schroefstempels en ondersteuningstorens.

In de woningbouw met verdiepingshoogten van zo’n 2,5 m tot 2,70 m wordt nu nog min of meer gedoogd dat aan het legfront niet wordt beveiligd. De aannemer kan hiervoor overigens wel een proces verbaal krijgen.

Bij grotere verdiepingshoogten zonder draagconstructie kunnen net ten worden toegepast. Bij draagconstructie kan voor een systeem van lijnen en gordels worden gekozen (zie antwoord op vraag 1).

Vraag 3 Moet het opbouwen van ondersteuningstorens beveiligd gebeuren?

Ondersteuningstorens moeten vaak vrij hoog worden opgebouwd. Meestal gebeurt dit onbeveiligd.

Ook bij de opbouw van ondersteuningstorens is valbeveiliging nodig, zelfs verplicht. Het zou als volgt kunnen gebeuren: steeds in de torens drie doorgaande steigerdelen leggen vanwaar uit omhoog wordt gewerkt waar mogelijk lokatiegebonden harnasgordels toepassen de torens, circa 1,50 m breed, bovenin geheel dichtleggen met steigerdelen (het laatste slag onder de spindels). Vanaf de gefor meerde werkvloer kan de constructie van de vloer verder worden gemonteerd.

Vraag 4 Wanneer netten na het leggen van dak of vloer aanwezig blijven, is dit dan een afdoende beveiliging voor sparingen?

Netten worden vaak in zones geplaatst en later weer verplaatst, zodat sparingen hun beveiliging kwijt raken.

Als de netten goed zijn geplaatst (zie antwoord op vraag 1) is er niets op tegen ze te laten hangen omwille van het beveiligd houden van sparingen. Een alternatief is leuningwerk rondom de sparing of een afdekking aan de bovenzijde ervan. Deze oplossingen hebben echter het nadeel dat ze in de praktijk meestal niet functioneren. De beveiligingen worden immers weggenomen zodra werkzaamheden aan de rand van de sparing plaatsvinden. In het algemeen is het beter om sparingen aan de onderzijde van dak of vloer te beveiligen, ook als hiervoor plaatmateriaal wordt gebruikt.

Vraag 5 Moet tijdelijk leuningwerk op 2 m van de vloer- of dakrand aan dezelfde eisen voldoen als dat aan de rand?

Een vloer of dak waar het werk zich op meer dan 2 m van de rand bevindt hoeft aan de rand niet te zijn beveiligd. Wel moet er op 2 m van de rand een afzetting zijn geplaatst.

Zo’n situatie komt ook wel eens voor tijdens het leggen van vloer- of dakplaten, als er bijvoorbeeld in zones wordt gewerkt kan zo’n tijdelijke afzetting nodig zijn.

Een enkelvoudige leuning op 1 m hoogte volstaat. Ook leuningwerk op ballastblokken is toegestaan. Kabel, touw of lint niet.

Wordt de afzetting op 1 m van de rand geplaatst, dan moet de leuning aan de sterkte- en doorbuigingseisen voldoen van Beleidsregel 3.16: ù niet bezwijken/functioneel blijven bij een neerwaartse belasting van 125 kg;

ù niet uit de bevestiging worden getild bij een opwaartse belasting van 30 kg;

ù zijdelings niet meer dan 35 mm doorbuigen bij een horizontale belasting van 30 kg.

Voor meer informatie: Aboma+Keboma, Galvanistraat 1, Postbus 141, 6710 BC Ede, Telefoon (0318) 631481, fax (0318) 632013 mail info0918aboma.nl

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels