nieuws

Sociaal bestek moet toch eens rekening houden met realiteit

bouwbreed

Steeds meer gemeenten nemen onder de noemer ‘sociaal bestek’ bij aanbestedingen van bouwopdrachten de eis op dat bij de uitvoering langdurig werklozen te werk moeten worden gesteld. Ook wordt in steeds meer gevallen aan die eis een boete gekoppeld als daar niet aan wordt voldoen.

In de praktijk leidt dat op diverse plaatsen tot fricties tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers, zoals recent nog is gebleken uit de arbitragezaak tussen de Wegenbouw Aannemers Combinatie (WAC) en de gemeente Dordrecht. Niet omdat aannemers bezwaar zouden hebben tegen indienstneming van geschikte (langdurig) werklozen. Hierover zijn ook in bouw-cao’s al jarenlang afspraken opgenomen. Wel omdat alleen voor de bouw een dergelijke verplichting wordt opgelegd en bovendien ongeacht het karakter van het werk, de personeelssituatie bij de betrokken bedrijven of het aanbod aan (langdurig) werklozen.

Het AVBB staat kritisch tegenover sociaal bestek in de vorm van een eenzijdige, algemene norm voor elk bouwproject. Niet omdat een gemeente zich niet sterk zou moeten maken voor langdurig werklozen, maar wel omdat sociaal bestek in veel gevallen voorbij gaat aan de concrete situatie in de bouw, voor individuele bedrijven tot onwerkbare situaties kan leiden en geenszins duidelijk is dat een verplichtend sociaal bestek tot betere resultaten leidt dan andere middelen. De bouw kan opdrachtgevers echter niet verbieden om te werken met sociaal bestek, zoals recent is bevestigd met de uitspraken van de Raad voor Arbitrage.

Het AVBB doet op basis van argumenten een beroep op gemeenten en eventuele andere opdrachtgevers die willen werken met sociaal bestek, om het op een reele manier te doen. Concreet betekent dat: rekening houden met de reele mogelijkheden van de bedrijfstak, met het effect op individuele bedrijven en handelen vanuit het besef dat sociaal bestek slechts een middel is om het doel van duurzame inpassing van (langdurig) werklozen te bevorderen.

Misverstand

Uitgaan van de reele mogelijkheden om (langdurig) werklozen aan de slag te helpen in de bouw, betekent allereerst de mate van ongeschoold en minder geschoold werk in de bouw niet overschatten. Veel (langdurig) werklozen zijn in eerste instantie op dat werk aangewezen, de meeste anderen zijn immers al uitgestroomd naar een van de vele reguliere vacatures van dit moment of naar de reguliere vakopleiding in de bouw.

Ongeschoold en minder geschoold werk komt in de bouw echter in beperkte mate voor: 85 procent van de werknemers in de bouwnijverheid is echter geschoold. Het aantal minder geschoolden dat in 1996 nieuw toetrad tot de bouwnijverheid bedroeg 4300 personen, minder dan een kwart van de totale instroom.

Het misverstand dat de bouw relatief heel veel minder geschoold werk kent, leidt er in veel gemeenten toe dat eerst de bepalingen van sociaal bestek komen en pas daarna het besef dat de toeleiding, scholing en begeleiding van werklozen meer aandacht moet krijgen dan papieren aantallen. In de evaluatie van de eerste projecten heeft een aantal gemeenten, waaronder Rotterdam en Dordrecht, dan ook geconstateerd dat hier veel meer en beter aandacht aan moet worden gegeven.

Prima infrastructuur

Een tweede element om rekening mee te houden, is dat de bouw de kansen voor instroom van doelgroepen die er zijn, al in belangrijke mate benut. Al geruime tijd zijn veel energie en middelen geinvesteerd in sectoraal arbeidsmarktbeleid en opleiding/instroom, met speciale aandacht voor kansarme groepen.

Zo is voor de sector Bouwbedrijf voor vakopleiding en arbeidsmarktbeleid een prima infrastructuur beschikbaar die met haar opleidingsaanbod ook inspeelt op mensen met een zwakkere arbeidsmarktpositie. Voor opleiding zijn er de Stichting Vakopleiding Bouwbedrijf (SVB), de Stichting Beroepsopleidingen Weg- en waterbouw (SBW) met de daarmee verbonden regionale samenwerkingsverbanden.

Voor sectoraal arbeidsmarktbeleid is er de Sectorraad Bouwbedrijf met zijn regionale commissies voor onderwijs en arbeidsmarkt, alsmede het Steunpunt Vrouwen in de Bouw.

Ook is er in de bouwnijverheid in cao’s een behoorlijk aantal werkgelegenheidsafspraken gemaakt, waaronder de cao’s waarbij het AVBB partij is. In de cao-bouwbedrijf en de cao voor uitvoerend, technisch en administratief personeel in bouwbedrijven zijn in dat kader niet alleen concrete kwantitatieve doelstellingen afgesproken, maar ook daaraan gekoppelde financiele prikkels.

Dat de bouw hiermee (ten opzichte van andere bedrijfstakken) een fors aantal werklozen perspectief biedt, moge onder meer blijken uit het feit dat de overheid als tegenprestatie in deze sector jaarlijks ook een flink bedrag aan landelijke subsidies voor inpassing van werklozen kan inzetten.

Zo heeft Arbeidsvoorziening aan de bouwnijverheid in het kader van de Bijdrageregeling Bedrijfstaksgewijze scholing werklozen (BBSW) zo’n negen miljoen gulden uitgekeerd. Ook wordt in ruil voor geleverde inspanningen jaarlijks voor het bouwbedrijf zo’n zes miljoen gulden uit het Europees Sociaal Fonds binnengehaald.

Deze relatief goede resultaten tot nu toe, betekenen niet automatisch dat er nog wel wat meer kan. De tot nu toe met sociaal bestek behaalde kwantitatieve resultaten in de grote steden bevestigen dit ook. Een paar honderd langdurig werklozen per jaar inpassen in de bouw is een bijdrage aan het oplossen van een maatschappelijk probleem die we niet hoeven weg te poetsen, maar opdrachtgevers moeten qua aantallen geen te hoog gespannen verwachtingen hebben. De meeste aannemers zijn best bereid hun bijdrage te leveren in de strijd tegen de (langdurige) werkloosheid, als de gevraagde bijdrage maar spoort met de reele mogelijkheden die zij in hun bedrijfsvoering hebben.

Effecten

Naast de reele mogelijkheden van de bedrijfstak, moet ook rekening worden gehouden met de effecten van sociaal bestek op individuele bedrijven, van groot tot klein.

Het is immers een feit dat bouwbedrijven door voldoende opdrachten te verwerven, onder andere hun (vaste) personeel aan het werk houden. Als de nieuwe instroom bij een gemiddeld bedrijf tien procent bedraagt, in de bedrijfstak lag dat in 1996 lager, dan is het helder dat vijf procent van de aanneem- of loonsom besteden aan inschakeling van langdurig werklozen snel ophoudt als steeds meer opdrachtgevers dit toepassen. Tenminste als het niet de bedoeling is dat langdurig werklozen na een project weer de werkloosheid ingaan of dat werkenden hun werk verliezen aan werklozen.

Een werkgever mag immers wettelijk gezien een tijdelijk contract met een werknemer beeindigen als dat afloopt, maar wie de bestrijding van de werkloosheid en het arbeidsklimaat in de bouwsector een goed hart toedraagt kan er niet voor zijn dat beeindiging plaatsvindt omwille van sociaal bestek. Verdringing van ervaren mensen of het sollen met werklozen kan niemands doel zijn. Beter is het om in overleg te bezien hoe bepaalde vacatures via opleiding en dergelijke duurzaam door (langdurig) werklozen kunnen worden vervuld.

Met het oog op individuele bedrijven zouden opdrachtgevers zich verder moeten realiseren dat een bouwbedrijf geen werkvoorziening is. We moeten niet willen dat bouwbedrijven gedwongen worden ook de regie van werkgelegenheidsprojecten op zich te nemen: daar moet de overheid met daarvoor verantwoordelijke instanties als Arbeidsvoorziening voor zorgen.

Zelfs voor eenvoudige banen die meer dan volledig gesubsidieerd worden, zoals de Melkert-banen, is de werving, selectie en toeleiding van kandidaten uit de harde kern van werklozen geen sinecure.

Gemeenten weten dat uit eigen ervaring. Schuldsanering, persoonlijke weerbaarheid en wennen aan een werkritme zijn absolute voorwaarden voor succesvolle arbeidsinpassing in welke sector dan ook, maar zeker in een robuuste sector als de bouw.

Opdrachtgevers kunnen dan ook ons inziens niet volstaan met het opleggen van sociaal bestek. Zij moeten aannemers ook geschikte werklozen (laten) aanbieden.

Dat vergt samenwerking tussen diverse instanties en een goede afstemming met de betrokken werkgevers. Een goed gecoordineerde regionale uitvoering neemt werkgevers die toeleiding en scholing zoveel mogelijk uit handen, maar sluit waar mogelijk wel aan bij de bestaande (opleidings)structuur van de bedrijfstak.

De vier grote steden hebben hier inmiddels ervaring mee, maar opdrachtgevers die sociaal bestek gaan toepassen buiten deze steden moeten dit niet onderschatten.

‘Slechts’ middel

Na deze kanttekeningen bij de wijze van toepassing van sociaal bestek, heeft het AVBB tenslotte nog een kanttekening de oprukkende praktijk om dat op verplichtende wijze vorm te geven: met een boete als de bestekseis niet wordt gehaald. Praktisch heeft die verplichtende vormgeving nog geen problemen gegeven: in de uitvoering gaan gemeenten er pragmatisch mee om en er is voor zover ons bekend nog nooit een boete opgelegd als het vereiste percentage niet werd gehaald. Het is echter wel steeds aan de (hoofd)aannemer om aan te tonen dat het in eerste instantie opgelegde percentage niet gehaald kan worden.

Opdrachtgevers c.q. gemeenten zouden zich af moeten vragen of het op die manier in de beklaagdenbank zetten van ondernemers voor het doel van sociaal bestek noodzakelijk is. Is het werkelijk noodzakelijk om zo met elkaar om te gaan? Wij denken namelijk dat de praktijk anders uitwijst. Onze indruk is dat bijvoorbeeld de gemeente Den Haag met een aanpak in de vorm van een inspanningsverplichting zeker zo goed scoort als gemeenten die met boetes werken. Een goede uitvoeringsorganisatie, constructieve samenwerking met sociale partners inclusief de samenwerkingsverbanden voor de vakopleiding en de persoonlijke inzet van een wethouder hebben hier in het verleden voor prestaties gezorgd die de vergelijking kunnen doorstaan.

Kortom wat het AVBB betreft is er alle reden kritisch te blijven over rigide vormen van sociaal bestek, zowel wat betreft de omvang als de vormgeving. Bij de omvang moet in absolute zin rekening worden gehouden met het aantal voor (langdurig) werkloze geschikte vacatures dat jaarlijks beschikbaar komt.

Naar individuele bedrijven toe moet bovendien worden voorkomen dat cumulatie van sociale bestekken (al dan niet van verschillende opdrachtgevers) leidt tot verdringing: een aannemer kan niet bij elk project opnieuw aan de eisen van sociaal bestek voldoen zonder dat dit tot ongewenste situaties voor net ingestroomde werklozen of andere werknemers leidt.

Ten slotte menen wij dat een verplichtend karakter van sociaal bestek ongewenst is, zeker waar de praktijk uitwijst dat het niet nodig is om het doel van sociaal bestek te bereiken. De bouw heeft recent en in het verleden bewezen heel goed langs andere weg te kunnen komen tot succesvolle, duurzame inpassing van mensen die anders niet zo makkelijk aan de slag komen.

beleidsmedewerker Arbeidszaken Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB).

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels