nieuws

Nieuwe varkensfabriek beperkt milieubederf

bouwbreed

De varkenshouderij kan het traject tussen ‘big’ en ‘karbonade’ volledig industrialiseren. Schaalvergroting gecombineerd met een gesloten productieketen houdt het proces in een bedrijf. De ondernemer kan dan meer geld voor milieumaatregelen vrijmaken. Spreiding van dergelijke geintegreerde bedrijven vermindert het transport en de verspreiding van ziekten. Dat schrijft M. Berghauser Pont in ‘Een agrarische strategie; varkenscomplex in de Randstad'(*).

Een industrieel varkensbedrijf fokt, mest en slacht varkens, verbouwt en mengt het voer en verwerkt de mest. Een dergelijke onderneming produceert jaarlijks 247.000 varkens en bedient daarmee 500.000 consumenten.

Elk bedrijf bestaat uit negen productie-eenheden en een slachteenheid. Een productie-eenheid biedt met 12.000 slachtvarkens, 4000 biggen en 1500 zeugen een jaarlijkse capaciteit van 2600 ton vlees.

De eenheden zijn zodanig ontworpen dat calamiteiten de bedrijfsvoering niet verstoren. Een productie-eenheid bestaat uit een dek op maaiveld waar onder meer mest en voer worden verwerkt en varkens worden afgeleverd. Fokken en afmesten gebeurt op vijf bovenliggende vloeren, wat contact met de buitenwereld voorkomt.

Fundering

De onderbouw onderscheidt zich door functie, constructie en materiaal van de bovenbouw. Hij dient als fundering voor de bovenbouw en is zelf met funderingspalen aan de ondergrond gehecht. De constructie is gedraaid ten opzichte van de bovenbouw en bestaat uit betonnen kolommen en balken. Deels voorgefabriceerd en deels in het werk gestort. De overspanning beloopt 16,8 meter. Beton is voor de onderbouw het meest geschikte materiaal. Het weerstaat het agressieve milieu.

Op de begane grond leveren de nadelen van het eigen gewicht en de constructie-afmetingen geen problemen op. Stijve wanden in langs- en dwarsrichting leveren de stabiliteit. Bij een lage oplegging van de vloerplaten kan de constructiehoogte van 2,1 meter worden gebruikt als installatie- en montageverdieping.

Overspanning

De bovenbouw bestaat ondanks het agressieve milieu uit staal. De keuze komt voort uit het lage eigen gewicht en de mogelijkheid van een forse overspanning bij een geringe constructiehoogte. Stabiliserende voorzieningen kunnen beperkt blijven, evenals de bouwtijd voor het grootste deel van het gebouw.

Het stramien van de kolommen ligt op 7,2 meter-1,2 meter etcetera. Dit houdt verband met de plaatsing tussen de afdelingen van de luchtschachten. Een afdeling meet in breedte 7,2 meter en een luchtschacht 1,2 meter.

Vierendeelkolommen

Deze kolomverdubbeling levert ook het voordeel van een grotere stabiliteit op. Door de kolommen onderling te verbinden ontstaan vierendeelkolommen met een breedte van 1,2 meter. De stabiliteit in langsrichting neemt verder toe wanneer IPE500-balken de vierendeelkolommen onderling koppelen. In dwarsrichting verbinden HEB500-balken met een lengte van 14,4 meter de kolommen. Op de balken worden de kanaalplaten eenzijdig opgelegd. Deze portalen verzorgen de stabiliteit in dwarsrichting.

De varkensflat stelt onder meer hygienische eisen. De afdelingen worden om die reden afgewerkt met zeer dunne voorgefabriceerde stelwanden die op een hoge plint zijn gemonteerd. De plint doet ook dienst als oplegging van de mestpannen en roostervloeren. De aansluiting tussen wand en plint is teruggelegd zodat bij het schoonmaken water en vuil altijd in de mestpannen terecht komt.

(*) M. Berghauser Pont schreef ‘Een agrarische strategie; varkenscomplex in de Randstad’ voor de faculteit Bouwkunde van de TU Delft.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels