nieuws

Hypotheek op Portacabin

bouwbreed

Het recht van hypotheek geeft de hypotheekhouder het recht om

op het daaraan onderworpen goed een vordering tot voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te verhalen.

Het recht kan alleen op een registergoed worden gevestigd.

Omdat een hypotheekrecht alleen gevestigd kan worden op goederen voor de overdracht waarvan inschrijving in de openbare registers noodzakelijk is, moet men wel zeker weten of een zaak waarop men dat recht wil vestigen wel een registergoed is.

Te boek gestelde schepen en luchtvaartuigen zijn dat in ieder geval wel, maar of een portacabin dat ook kan zijn, was tot nog toe hoogst onzeker. Het was in ieder geval een strijdvraag tussen de belastingdienst en de Rabobank in Terneuzen. De eigenaar van een perceel in die plaats had aan de bank een hypotheekrecht op twee daarop staande gebouwen verleend tot een bedrag van twee ton. Een van die gebouwen was een portacabin, als kantoorruimte ingericht en niet alleen aangesloten op het gas-, water- en elektriciteitsnet, maar ook op de riolering en de telefoon.

Toen er problemen waren ontstaan tussen de eigenaar maakte de bank gebruik van het aan de hypotheekhouder bij artikel 3:268 BW toegekende recht van parate executie. De verkoop van de grond en de beide gebouwen vond plaats op 7 juli 1992. Voordien had echter de belastingdienst executoriaal beslag laten leggen op de roerende zaken, die zich in beide gebouwen bevonden. De deurwaarder die het beslag legde ging er van uit dat ook de portacabin een roerende zaak was zodat die ook onder het beslag viel. De bank wist hier niets van en evenmin van de onderhandse verkoop van de portacabin door zijn schuldenaar, die daarvoor toestemming van de belastingdienst had gekregen. Pas tien dagen na de openbare verkoop kwam de bank erachter dat de portacabin gedemonteerd was. De koper ervan had hem inmiddels in bezit gekregen.

De Rabobank, die zo een stuk zekerheid voor de voldoening van de schuld van de hypotheekgever aan zijn neus voorbij zag gaan, ging naar de Rechtbank in Middelburg. De bank eiste dat de rechtbank voor recht zou verklaren, dat de portacabin onder het hem verleende hypotheekrecht viel omdat die een onroerende zaak was. De Ontvanger bestreed dat omdat volgens hem het gebouw niet duurzaam met de grond verenigd was, zoals art. 3:3 BW eist voor een onroerende zaak.

Van het tussenvonnis waarbij de bank werd toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit een duurzame vereniging bleek, ging de Ontvanger in beroep bij het Hof te ’s Gravenhage. Zonder succes want het Hof gaf de geeiste verklaring voor recht dat de portacabin een onroerende zaak was. Daarvoor golden een aantal feitelijke omstandigheden waaronder de aansluitingen, die ook aanwezig waren bij het andere bedrijfsgebouw waar geen enkele twijfel over bestond. Maar ook de vermelding in het rapport van een taxateur dat de portacabin zijn fundatie had in betonpoeren en een stalen frame, werkte aan die voor de bank gunstige uitspraak mee.

Het Hof kwam tot de conclusie, dat de portacabin naar aard en inrichting bestemd was om als bedrijfsgebouw te worden gebruikt en om duurzaam ter plaatse te blijven. Die bedoeling van de hypotheekgever was voldoende duidelijk naar buiten kenbaar gemaakt.

De Ontvanger van de Belastingen in Goes, waaronder Terneuzen fiscaal valt, wilde echter zekerheid dat hij zijn vordering op de eigenaar van de portacabin niet ook op dat bedrijfsgebouw kon verhalen. Om die zekerheid te krijgen moest hij een uitspraak van de Hoge Raad hebben. Daarom stelde hij beroep in cassatie in bij ons hoogste rechtscollege.

De Hoge Raad begon met de constatering dat op deze kwestie het voor 1 januari 1992 geldende recht nog van toepassing was omdat het hypotheekrecht op de portacabin gevestigd was voordat het nieuwe B.W. in werking trad. Maar dat oude B.W. week op dit punt niet af van het nieuwe, zodat dit voor het antwoord op deze rechtsvraag sinds 1 januari 1992 niet anders hoefde te luiden.

Omdat het voor de vraag of een bouwsel onroerend is niet meer van belang is of de technische mogelijkheid bestaat het te verplaatsen, dient alleen gekeken te worden naar de vraag of het naar aard en inrichting bestemd is duurzaam ter plaatse te blijven.

Voor het antwoord op die vraag moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer, voor zover die naar buiten kenbaar is. Dat staat niet in artikel 3:3 B.W. maar in de toelichting op dat artikel in de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer. Voor alle duidelijkheid voegt de Hoge Raad hier wel aan toe dat onder ‘bouwer’ hier niet alleen de feitelijke uitvoerder van een bouwwerk moet worden verstaan, maar ook de opdrachtgever van die bouw.

Opvattingen in het maatschappelijk verkeer kunnen niet gebruikt worden als een zelfstandige maatstaf voor de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Dat kan wel, zoals de wet uitdrukkelijk bepaalt, bij de vraag of iets bestanddeel van een zaak is. Hier speelde echter niet de vraag of de portacabin een bestanddeel van het andere bedrijfsgebouw was. Zou het dat wel zijn geweest, dan was het daarom al onroerend omdat bestanddelen van een onroerende zaak zelf ook onroerend zijn.

Verkeersopvattingen, zo verduidelijkte de Hoge Raad, kunnen wel in aanmerking worden genomen als onzekerheid bestaat of een object al dan niet als duurzaam met de grond verenigd is.

Dat had het Hof gedaan door op grond van zeven omstandigheden tot de conclusie te komen dat deze portacabin onroerend was. Die vaststelling werd dus door de Hoge Raad onderschreven.

Voor de duidelijkheid dient er hier wel op gewezen te worden dat niet elke portacabin nu als een onroerende zaak kan worden beschouwd en dus voor een hypotheek vatbaar is.

Onze hoogste rechter heeft in oktober 1997 duidelijk gemaakt aan de hand van welke maatstaven kan worden bepaald of zo’n verplaatsbaar bouwsel roerend dan wel onroerend is.

(BR 1998 p. 689) Mr. Math Verstegen

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels