nieuws

Te late melding kost een miljoen

bouwbreed

“Het beheersen van de applicatie-omstandigheden door de seizoenen heen is vanuit de theoretische normen in de praktijk vrijwel niet continu te realiseren.” Die vaststelling komt van het scheidsgerecht, ingesteld om een beslissing te nemen over een claim van meer dan een miljoen die Rijkswaterstaat indiende bij zijn verzekeraar.

Rijkswaterstaat sloot in maart 1983 een CAR-verzekering af voor een werk aan de Koopvaardersschutsluis in Den Helder. In de toepasselijke Algemene Verzekeringsvoorwaarden werd bepaald dat de verplichting tot schadevergoeding zou vervallen, als de verzekerde de door de polis gestelde verplichtingen niet nakwam.

Een van die verplichtingen is het zo spoedig mogelijk melden van een schadegeval. Op grond daarvan beriep de assuradeur zich erop dat de schade pas een jaar na het optreden ervan was gemeld. Als dat beroep was gehonoreerd, zouden we niets uit het vonnis van dit gerecht hebben kunnen leren over de oorzaken van die schade. Nu krijgen we gelukkig een zeer uitvoerig vertoog over het verloop van de coatingwerkzaamheden aan tien stalen puntdeuren en de oorzaken van het onthechten van de er op aangebrachte conserveringslaag.

De opdracht van Rijkswaterstaat om deze gecoate deuren te vervaardigen en acht ervan ter plaatse in te hangen, was van november 1982. In de maanden april-juni 1984 werden de deuren van de werf in Zuid-Holland vervoerd naar de sluis.

De deurenbergplaats waarin de twee reservedeuren moesten worden opgeslagen, was bij aankomst in Den Helder nog niet klaar. Daarom werden ze tot december van dat jaar in de sluis langs de wand geplaatst. Vier maanden later werd de aangroei, die daarvan het gevolg was, met een hogedruk waterstraal verwijderd. Toen, april 1985, bleek dat het gedeelte van de conserveringslaag dat in de sluis onder water had gelegen, onthecht was geraakt.

Dat was voor de waterstaatsmensen aanleiding om ook de acht al ingehangen deuren te gaan inspecteren. En ja hoor, ook daar bleek een ernstige onthechting van de toplaag onder de waterlijn te hebben plaats gevonden.

Het was niet zo verwonderlijk dat zich in april 1985 onthechting op grotere schaal voordeed. Toen na het aanbrengen van twee epoxyteerlagen op de deuren een controle in de loodsen op de werf werd uitgevoerd, bleek al dat er geen goede hechting was tussen de eerste (bruine) en tweede (zwarte) laag. De exacte oorzaak daarvan werd echter niet vastgesteld.

Deskundigen van het scheidsgerecht leidden uit een en ander af dat er in februari-april 1984 sprake moet zijn geweest van een aanvankelijk deugdelijk, maar later gedeeltelijk ondeugdelijke hechting. Pas in april 1985 bleek de aantasting van vorm en/of structuur van de coating zo omvangrijk te zijn dat er gesproken kon worden van ernstige schade.

Toen de scheidslieden dit geconstateerd hadden, konden zij moeilijk tot een andere slotsom komen dan dat Rijkswaterstaat veel te laat aan de assuradeur gemeld had dat er problemen waren met de coating van de sluisdeuren en dat er schade was opgetreden aan die coating.

Als de verzekeraar dat al in april 1984 had geweten, zou hij zijn expert de schade(oorzaak) hebben laten onderzoeken. Dan had hij ook aanbevelingen kunnen doen voor een oplossing. Het grote voordeel daarvan zou zijn geweest dat die oplossing niet in Den Helder maar op de werf in Zuid-Holland toegepast had kunnen worden.

Toch vond het scheidsgerecht dat de assuradeur zich niet met succes kon beroepen op de vervalclausule in de CAR-polis. Hoewel Rijkswaterstaat niet kon aantonen dat het veel te laat melden haar niet verweten kon worden, was er onder de gegeven omstandigheden toch geen sprake van een zodanige belangenbenadeling van de assuradeur dat die niet meer tot schadevergoeding verplicht was.

Mogelijk hebben de scheidslieden bij dit opvallende oordeel laten meespelen dat niet de gehele schade door de verzekeraar vergoed hoefde te worden. Het Wetboek van Koophandel geeft hem immers het recht op vergoeding van de schade die hij lijdt als de verzekerde zijn verplichting niet nakomt om alles in het werk te stellen teneinde de schade te voorkomen of te verminderen.

Het uiteindelijke schadebedrag was door partijen vastgesteld op ruim een – miljoen. Alleen al voor het maken van een overkapping op de plaats van herstel, was al een post van f. 126.000 opgenomen; voor de (de)montage van de deuren moesten niet alleen extra werkzaamheden worden verricht, maar was ook de huur van een kraan en bokken nodig. Zo waren er nog enige posten die niet nodig zouden zijn geweest als in april 1984 de behandeling op de werf had kunnen plaatsvinden.

Het scheidsgerecht kwam zo tot een door assuradeuren te vergoeden bedrag van ‘slechts’ f. 325.000. De overige acht ton kan een punt van onderhandeling worden tussen Rijkswaterstaat en het bedrijf dat dit werk had aangenomen. De hoofdschuldige aan deze schade zal men waarschijnlijk moeten zoeken in de kring van mensen die de schade aan de assuradeur had moeten melden.

Bedrijven die zich bezig houden met het coaten van metaal, zoals deze sluisdeuren, doen er misschien goed aan dit scheidsrechterlijke vonnis van 21 juli 1995 eens te lezen. Het bevat heel wat informatie over de noodzaak van goede omstandigheden, waaronder de beschermende lagen worden aangebracht. Daar was hier geen sprake van geweest, want het had ontbroken aan een permanente klimaatbeheersing en juiste temperatuurcondities, terwijl ook de afzuiging niet voldoende effectief was geweest.

Voor de directeur van het bedrijf dat dit werk uitvoerde, geeft het scheidsgerecht wel de troostende woorden mee, dat bij de beoordeling in 1995 in aanmerking moet worden genomen dat het werk in 1984 werd uitgevoerd tegen de achtergrond van de toenmalige inzichten en ter plaatse aanwezige kennis. Ook dat bedrijf zal met deze uitspraak zijn voordeel kunnen doen en de omstandigheden waaronder dit soort coatingswerkzaamheden worden uitgevoerd zo veranderd hebben als het scheidsgerecht in zijn vonnis aangeeft.

(BR 1998 p. 234)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels