nieuws

Klimaatverandering vergroot gevaar overstromende rivieren

bouwbreed

Veranderingen in het klimaat wijzigen onder meer de hydrologische kringloop. Valt er in een rivierengebied meer regen, dan neemt de kans op overstromingen toe en dreigen er problemen voor de scheepvaart. Door een grotere regenval treedt ook een grotere erosie op. Een rivier als de Rijn zal als gevolg daarvan een grotere sedimentvracht transporteren. Dat materiaal zet zich bijvoorbeeld af op de uiterwaarden waardoor de bergende capaciteit van de Rijn afneemt, schrijft N. Asselman in ‘Suspended sediment in the river Rhine’ *).

De Rijn brengt jaarlijks zo’n 3,14 miljoen ton sediment in Nederland. Een liter water bevat gemiddeld 30 milligram klei, silt en fijn zand. In perioden van verhoogde afvoer beloopt de concentratie 120 tot 180 milligram per liter.

Nabij Rees aan de Duits-Nederlandse grens passeert gemiddeld 2400 kubieke meter water per seconde door de Rijn. Het meeste materiaal oftewel gemiddeld 1,12 miljoen ton per jaar komt uit de Alpenrivieren bovenstrooms van Rheinfelden. De Neckar en de Moezel dragen met respectievelijk 0,47 en 0,88 miljoen ton per jaar eveneens forse hoeveelheden bij. In het geval van de Neckar gaat het vooral om eroderende loss-bodems.

Broeikaseffect

Het klimaat verandert door het versterkte broeikaseffect. Door de verhoogde kans op hoogwater transporteert de Rijn meer (vervuild) slib. Dat slaat uiteindelijk voor een groot deel neer in de havens van Rotterdam. In de Waal komt minder dan 15 procent van het sediment terecht. In de IJssel en Lek kan het om meer dan 35 procent gaan. Op de Waaluiterwaarden slaat gemiddeld 1,2 tot 4 kilo per vierkante meter neer. Dat komt overeen met een laagdikte van 1 tot 3,4 millimeter. Het meeste materiaal bezinkt achter het laagste deel van de zomerkade. Het grootste deel bestaat uit klei en silt.

In uiterwaarden zonder zomerkade bepaalt een exponentiele afname in de afzetting van zand met de afstand tot de rivier het sedimentatiepatroon. Stroomafwaarts vermindert de hoeveelheid sedimentatie tussen de verschillende uiterwaarden niet.

Landbouw

Sociaal-economische ontwikkelingen verminderen het areaal landbouwgrond. Onder het huidige klimaat vermindert daardoor de erosie met ruim 15 procent.

Klimaatwijzigingen onttrekken meer grond aan de landbouw. Als het warmer wordt en er meer regen valt, ontstaat er meer erosie. Wanneer in dat geval minder grond aan de landbouw opgaat, vermindert de erosie in het Rijngebied benedenstrooms van Basel met ongeveer 4 procent. Als bodemerosie de belangrijkste sedimentbron is en het percentage geerodeerd materiaal dat in de Rijn komt gelijk blijft, leidt een afnemende erosie tot een lagere sedimentlast.

Autonome veranderingen in landgebruik onder de huidige klimatologische omstandigheden leveren een jaarlijks dalende sedimentlast op bij alle afvoeren boven 1500 kubieke meter per seconde. Veranderingen in landgebruik en klimaat leiden tot een lagere jaarlijkse sedimentlast bij afvoeren van 1500 tot 3500 kubieke meter per seconde. Hogere afvoeren transporteren evenwel meer sediment.

Opslibbing

De ophoging van de uiterwaarden vermindert met zo’n 30 procent door autonome veranderingen in het landgebruik onder het huidige klimaat. Als het klimaat volgens het model van de Intergovernmental Panel on Climate Change verandert, leveren veranderingen in landgebruik hogere sedimentatiesnelheden op.

Als gevolg daarvan kan een lagere uiterwaarde zoals de Variksche Plaat ruim 20 procent ophogen. Op hogere uiterwaarden met een zomerkade kan de hoogte 20 tot 40 procent oplopen. Klimaatveranderingen hebben dus meer effect op de opslibbing van uiterwaarden dan op erosie en sedimenttransport.

*)N. Asselman schreef ‘Suspended sediment in the river Rhine; the impact of climate change on erosion, transport and deposition’ voor de faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van de Universiteit Utrecht.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels