nieuws

‘Astronautenpak’ beschermt miljoenen opgezette dieren

bouwbreed

Hoe bewaar je tien miljoen gewervelde en ongewervelde dieren, insecten, fossielen, gesteenten en mineralen zonder dat zij hun educatieve en wetenschappelijke waarde voor de komende generaties verliezen? Dat was een van de centrale vragen bij het ontwerp van het nieuwe nationaal natuurhistorisch museum Naturalis. Om de temperatuur en de luchtvochtigheid op een constant niveau te houden, is de depot-toren een soort astronautenpak aangemeten. Niet het klimaat in de depots zelf wordt geconditioneerd, maar in de zes centimeter brede spouw om de toren heen.

Tweeenhalf jaar heeft de realisatie van het nieuwe museum achter station Leiden geduurd. Bijna een jaar daarvan is besteed aan de inrichting en de verhuizing van de collectie, die verspreid was over zes andere gebouwen in Leiden. Het museum bestaat uit twee gebouwen: het zeventiende-eeuwse, gerestaureerde Pesthuis en de door een loopbrug daarmee verbonden nieuwbouw.

Het Pesthuis bevat de entree, de nieuwbouw is bestemd voor de tentoonstellingen, onderzoek en opslag. In totaal omvat het complex 25.000 vierkante meter, waarvan de helft voor de depotruimten.

De depots bevinden zich in het meest opvallende deel van het gebouw, de volledig gesloten 62 meter hoge toren. De collectie van het museum bestaat voor het grootste deel uit opgezette dieren. Organisch materiaal dus, dat zeer hoge eisen stelt aan de klimatologische omstandigheden waarin het wordt bewaard. Daglicht is taboe. De voor het publiek niet toegankelijke depot-toren bevat dan ook geen ramen.

De temperatuur mag over een jaar gezien maximaal een graad Celsius fluctueren. Als dat zou gebeuren door iedere ruimte apart de conditioneren, zoals voor de hand zou liggen, zou dat zeer kostbare en ruimteverslindende installaties vergen. Omdat de toren volledig gesloten is, kon echter een andere, goedkopere oplossing worden gekozen: het conditioneren van de lucht in de zes centimeter brede spouw.

Daartoe is de spouw onderverdeeld in zones van zestig centimeter breed, die bovenin per twee zijn gekoppeld. Op de begane grond wordt de spouwlucht aangezogen, gemeten en vervolgens gekoeld of verwarmd. Deze werkwijze verlaagt de hoeveelheid te conditioneren lucht tot 270 kubieke meter in plaats van de 22.000 kubieke meter die de toren groot is.

Bovendien is een kleine fluctuatie in de luchttemperatuur toegestaan, omdat de dertig centimeter dikke betonnen draagconstructie die de spouw scheidt van het depot die verschillen wegdempt.

De veertig depotruimten zelf hebben plaatselijk overigens nog wel een kleine koelings- en ventilatieinstallatie om de warmte die mensen binnenbrengen te koelen en de bezoekers van enige verse lucht te voorzien.

Aan de buitenzijde van de spouw zit de isolatie met een regenhuid van roestvaststalen losange (ruitvormige) panelen. Er zijn twee maten panelen, 40 bij 40 en 80 bij 80 centimeter. Daarmee is getracht de tekening van een slangen- of vissenhuid na te bootsen.

Omdat de roestvaststalen panelen de bekleding vormen van het conditioneringssysteem van de depot-toren, is ook het geveldeel dat zich binnen het museum bevindt met dezelfde losangepanelen bekleed. Vanuit de tentoonstellingsruimte kan het publiek op een punt via een loopbrug de toren bereiken om de roestvaststalen panelen te bekijken of te betasten en om via een raam een deel van de inhoud (de skeletten die wel licht verdragen) van de toren te bekijken.

Vuil stucwerk

Ook voor de gevels van het lage deel van het gebouw is gebruikgemaakt van materialen die geen onderhoud behoeven, maar toch een fraai uiterlijk houden (of krijgen). De kantoorvleugel is ook met roestvaststaal bekleed, terwijl de tentoonstellingsruimte van terracottategels is voorzien.

Een van de zijgevels van Naturalis bestaat uit 4500 vierkante meter stucwerk. Bij het ontwerp van deze gevel is bewust gebruik gemaakt van de vervuilende werking die optreedt bij onzorgvuldige detaillering. Onder ieder uitstekend deeltje van stucwerk ontstaat namelijk binnen de kortste keren een vuilstreep.

Daarom zijn op de gevel in een stramien van zestig bij zestig centimeter 1250 roestvaststalen pijpjes aangebracht. Deze zorgen op den duur voor 1250 vuilstreepjes, die samen met de schaduwstreepjes voor een boeiend patroon moeten zorgen. De roestvaststalen pijpjes hebben verder een schroefdraad waaraan panelen kunnen worden bevestigd, bijvoorbeeld met mededelingen over tentoonstellingen.

Bert Bosker

Een loopbrug vormt de verbinding tussen het voormalige Pesthuis en de nieuwbouw van museum Naturalis. Op de achtergrond de 62 meter hoge depot-toren met het grootste deel van de collectie. De spouw achter de roestvaststalen gevelbekleding werkt als ‘astronautenpak’ en speelt een cruciale rol in de klimaatbeheersing van de magazijnen. Foto: Ger van der Vlugt

Projectgegevens PPS-partners: Nationaal Natuurhistorisch Museum, Rijksgebouwendienst, gemeente Leiden en Mabon BV; Architect: ir. Fons Verheijen van Architectenburo Verheijen/Verkoren/De Haan; Restauratiearchitect Pesthuis: ir. Flip H. Robers; Bouwkundige realisatie: HBM Regio West; Adviseur constructies: HBM UOB; Adviseur installaties: Technical Management; Installateur klimaat: Wolter en Dros; Installateur liften: Evli; Installateur elektra: Ergon Electronics; Stichtingskosten: f. 85,1 miljoen incl. btw; Bouwkosten: f. 55 miljoen excl. btw; Officiele opening door koningin Beatrix: 7 april 1998; Opening voor publiek: 8 april 1998.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels