nieuws

Zwart werken

bouwbreed

Hoge loonkosten zijn een bedreiging voor de afzet van bouwproducten. Daar is weinig tegen in te brengen. Hoe duurder een product, hoe minder gemakkelijk het aan de man te brengen is. Een uitzondering geldt uitsluitend voor producten die worden gekocht, omdat ze duur zijn. Wie immers gelooft dat de productiekosten van een reukwatertje een prijs van 150 gulden voor 0,2 liter rechtvaardigen. Ook de illusie heeft zijn – exclusieve – prijs.

Niet bekend

Een mogelijk gebrek aan personeel op de bouwarbeidsmarkt hangt vervolgens maar ten dele af van de ontwikkeling van de bouwproductie. Er is sprake van een interdependentie van de verschillende arbeidsmarkten. Het perspectief in andere bedrijfstakken is van grote betekenis voor de situatie in de bouw.

Toen mij onlangs werd gevraagd of een stijging van de bouwproductie niet gehinderd werd door hoge lonen, was daarop geen eenduidig antwoord mogelijk. Het eerste antwoord is bevestigend. Het meer genuanceerde antwoord is ontkennend. Als de lonen onvoldoende zijn om voldoende werknemers aan te trekken, zou dit eveneens een rem zijn op de toeneming van de bouwproductie.

Het meest realistische antwoord luidt daarom, dat niet hoge loonkosten op zich een probleem vormen, maar veeleer het achterblijven van de productiviteitsontwikkeling. Een toeneming van de productie per man beperkt het aandeel van de loonkosten. De loonkosten per man zijn structureel gezien nauwelijks te beperken, gelet op de samenhang met andere arbeidsmarkten. Het streven naar volledige werkgelegenheid onderstreept dit.

De relatieve loonkostenstijging in de gecalculeerde kosten van een bouwproject zijn het gevolg van een minder dan gemiddeld optredende stijging van de productie per man. Overigens een niet voor Nederland uniek verschijnsel, maar ook in andere landen een zichtbaar gegeven.

De bouwnijverheid is ook in eigen land niet uniek. De diensten van de overheid, de kapper, de fietsenmaker, de gezondheidszorg, enzovoort, kampen met hetzelfde euvel. Voor sommige sectoren heeft het verschijnsel van de achterblijvende productiviteitsontwikkeling een tweede probleem in de aanbieding. Dit tweede probleem is weer onder te verdelen: ligitiem is de doe-het-zelf-mogelijkheid. Men schildert het eigen huis en knipt het eigen haar. Minder legitiem is het inschakelen van de beunhaas. Of dit laatste werkelijk niet legitiem is, hangt af van de belastingmoraal van betrokkene.

De bouwnijverheid is een brede bedrijfstak. De beunhaas die bukla-bedrijven of schilders een deel van hun markt afpikt, is bij de bouw van een stadhuis niet in de markt. De campagne in tv-spots van het LISV tegen de

inschakeling van zwartwerkers, verdient alle sympathie. Het LISV is echter het resultaat van de uitwerking van het marktprincipe. In dit geval in de sfeer van de sociale verzekering. Marktdenken is gericht op het

inschakelen van de partij die het minste kost. Uiteraard binnen de wettelijke kaders. De vraag is echter wat voorop staat, de laagste kosten of de wettelijke

kaders.

Onbedoeld wijst het LISV op de goedkoopste manier van werken. Het zwart werken. Het is de paradox van het marktdenken. Hoe goedkoper, hoe beter. Ieder voor zich. Was dit wat Flip Buurmeier voor ogen had toen hij de staf brak over de uitvoering van de sociale verzekeringen in Nederland?

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels