nieuws

Vermeend schrikt van het Baksteenarrest

bouwbreed

Staatssecretaris Vermeend is geschrokken van de uitspraak van de Hoge Raad in het Baksteenarrest. De raad stelt dat voor de vorming van een voorziening op de fiscale balans niet langer de eis geldt van aanwezigheid van een rechtsbetrekking waaruit verplichtingen kunnen voortvloeien. De staatssecretaris vreest dat bedrijven nu massaal voorzieningen vormen ten laste van de fiscale winst.

Even voor een juist begrip. Als een ondernemer een voorziening vormt voor toekomstige uitgaven is dat geen belastingontduiking. Het vormen van een voorziening is louter een naar voren halen van de kosten die in mindering worden gebracht op de fiscale winst. Immers, als de voorziening is gevormd, moeten de daadwerkelijk gemaakte kosten te zijner tijd van die voorziening worden afgeboekt en komen dan niet meer ten laste van de fiscale winst.

Waar ging het om in het Baksteenarrest? Een fabrikant van bakstenen nam in zijn fiscale jaarrekening een voorziening op voor uitgaven die hij de komende jaren moest maken in verband met een sanering in de branche. De baksteenfabrikant had zich eenzijdig verplicht te betalen aan een stichting die zorg zou dragen voor de sanering. De voorziening werd in de jaarrekening opgenomen, ervan uitgaande dat de te maken kosten waren gebaseerd op een rechtsverhouding.

Daarmee was de fiscus het niet eens. Aanvankelijk stelde de rechter in Arnhem de fiscus in het gelijk. Tegen die uitspraak ging de fabrikant in cassatie. Hij voerde als argument aan dat zijn toezegging bij te dragen in de kosten van de sanering wel degelijk verplichtingen voor hem in het leven had geroepen.

De Hoge Raad kwam tot het verrassende oordeel dat door de eis van de rechtsverhouding geen recht wordt gedaan aan het beginsel van goed koopmansgebruik dat voor toekomstige uitgaven een passiefpost mag worden gevormd in het jaar waarin deze uitgaven worden opgeroepen. Deze civielrechtelijke eis past volgens de Hoge Raad niet in het op de bedrijfseconomie gegronde begrip ‘goed koopmansgebruik’.

De Hoge Raad komt in het Baksteenarrest tot de volgende eisen voor een voorziening. Bij de bepaling van de jaarwinst mag een voorziening voor toekomstige uitgaven worden gevormd als:

de toekomstige uitgaven hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden die zich in de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan;

een redelijke mate van zekerheid bestaat dat de uitgaven zich zullen voordoen;

de uitgaven ook (op grond van bedrijfseconomische overwegingen) kunnen worden toegerekend aan de bedrijfsuitoefening in de periode die voorafgaat aan de balansdatum.

Euro

Heeft de nieuwe zienswijze van de Hoge Raad gevolgen voor de introductiekosten van de euro? Ten aanzien van toekomstige uitgaven voor de introductie van de euro kan worden gesteld dat deze zijn opgeroepen, hetzij door het Verdrag van Maastricht (waarin de vorming van de EMU werd overeengekomen), hetzij door de besluiten van de EU-top in mei 1998 (waarin werd vastgesteld welke landen meedoen aan de EMU), hetzij door de nationale wetgeving ter implementatie van deze besluiten in EU-verband.

Indien wordt aangenomen dat laatstgenoemde wetgeving voor 1999 tot stand komt, worden de uitgaven voor de introductie van de euro dus opgeroepen door feiten en omstandigheden die zich voor de balansdatum per ultimo 1998 hebben voorgedaan. Het behoeft geen betoog dat ook sprake is van een redelijke mate van zekerheid dat deze uitgaven feitelijk worden verricht.

Aan de eerste en de tweede eis voor de vorming van een voorziening voor deze uitgaven is dus voldaan. Maar de eis dat deze uitgaven moeten kunnen worden toegerekend aan de periode die aan de balansdatum voorafgaat, kan een struikelblok vormen. Ook om een andere reden lijkt de vorming van een voorziening voor deze uitgaven op problemen te stuiten. De introductie van de euro levert een ondernemer doorgaans niet alleen kosten, maar ook baten op (zoals minder bankkosten bij betalingen en minder kosten voor het afdekken van valutarisico’s).

Vanuit deze optiek kan worden gesteld dat de vorming van een voorziening voor kosten ter introductie van de euro in strijd komt met een juiste ‘matching’ van baten en lasten. Kortom, het toerekeningscriterium lijkt een forse drempel op te werpen voor de vorming van een voorziening voor kosten ter introductie van de euro. (N.B. In het belastingplan 1999 is een fiscale tegemoetkoming voor de kosten van de invoering van de euro opgenomen via een verhoogde investeringsaftrek en zelfstandigenaftrek.)

Millennium

Bij beoordeling van de mogelijkheid van een voorziening voor toekomstige uitgaven voor de millenniumproblematiek zal doorgaans blijken dat aan de eerste en tweede eis is voldaan. De uitgaven voor de millenniumproblematiek worden immers opgeroepen door aanschaf in het verleden (dus voor balansdatum) van apparatuur en/of programmatuur die niet milleniumproof blijkt te zijn. Voorts is sprake van een redelijke mate van zekerheid dat de uitgaven feitelijk worden verricht.

De vraag aan welke jaren deze uitgaven dienen te worden toegerekend, is echter minder eenvoudig te beantwoorden. Men zou kunnen uitgaan van de gedachte dat de aanschaf van apparatuur en/of programmatuur zonder millenniumproblemen een meerprijs ter grootte van de te maken millenniumkosten zou hebben gevergd. Zou deze verhoogde aanschafprijs zijn betaald, dan zou een deel hiervan via afschrijvingen ten laste van de winst zijn gekomen. Bij een redelijke toerekening van de millenniumkosten zou vanuit deze optiek een deel ervan, evenredig aan de reeds verstreken gebruiksduur van de betreffende apparatuur en/of programmatuur ten opzichte van hun totale gebruiksduur, via de vorming van een voorziening ten laste van de winst kunnen worden gebracht.

Op deze wijze wordt bereikt dat de totale (aanschaf- en revisie-) kosten zo goed mogelijk worden toegerekend aan de jaren waarin de apparatuur en/of programmatuur nut afwerpt voor de bedrijfsuitoefening. Het reeds in 1998 (of eerder) ten laste van de winst brengen van alle verwachte millenniumkosten door de vorming van een voorziening voor dit gehele bedrag, lijkt op gespannen voet te staan met een binnen goed koopmansgebruik passende ‘matching’ van baten en lasten. Wel lijkt het mogelijk de millenniumkosten – evenals onderhoudskosten – in het jaar waarin ze feitelijk worden gemaakt, geheel ten laste van de winst te brengen, als de vorming van een voorziening achterwege blijft.

Milieuvervuiling

De staatssecretaris van Financien heeft in zijn besluit van 15 juli 1997 aangegeven welke mogelijkheden naar zijn mening bestaan om kosten in verband met milieuvervuiling, in het bijzonder bodemverontreiniging, ten laste van de fiscale winst te brengen.

In dit besluit wordt een onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin wel of niet een rechtsverhouding aanwezig is waaruit verplichtingen voortvloeien.

Is sprake van een dergelijke rechtsverhouding, dan kan een voorziening worden gevormd ter grootte van de contante waarde van de toekomstige uitgaven. Is geen sprake van een dergelijke rechtsverhouding, maar wel van een serieus plan tot bodemsanering, dan is een kostenegalisatiereserve mogelijk die van jaar tot jaar wordt opgebouwd.

Het Baksteenarrest heeft tot gevolg dat het door de staatssecretaris gemaakte onderscheid niet langer relevant is en dat in alle gevallen waarin is voldaan aan de drie hierboven beschreven eisen, een voorziening kan worden gevormd.

Het zwaartepunt van de discussie met de fiscus zal in geval van bodemvervuiling waarschijnlijk de derde eis betreffen, te weten of een redelijke mate van zekerheid bestaat dat (binnen afzienbare tijd) uitgaven worden verricht in het kader van bodemsanering. Indien in plaats van een kostenegalisatiereserve een voorziening kan worden gevormd, betekent dit dat de mogelijkheden worden verruimd om een passiefpost ten laste van de fiscale winst te vormen. Een kostenegalisatiereserve wordt immers geleidelijk opgebouwd, terwijl in een voorziening direct het gehele bedrag van de contante waarde van de toekomstige uitgaven kan worden opgenomen. Dit betekent dat een overstap van kostenegalisatiereserve naar voorziening op grond van het Baksteenarrest gepaard kan gaan met een niet onaanzienlijke aftrekpost.

Noodwet

Het is de vraag of de criteria in het Baksteenarrest tot een grote verruiming leiden van de mogelijkheden voor het vormen van voorzieningen. Voor eurokosten of kosten voor het millenniumprobleem lijken deze mogelijkheden niet spectaculair. Voor kosten van milieuvervuiling lijkt meer ruimte te bestaan.

De staatssecretaris heeft het verlies voor de schatkist van het Baksteenarrest becijferd op meer dan 3 miljard gulden. Om dat te voorkomen heeft hij via een persbericht noodwetgeving met terugwerkende kracht aangekondigd. Dit roept de vraag op of Vermeend wel de juiste analyse van het Baksteenarrest heeft gemaakt of dat hij een miljardendrama opvoert om de Tweede Kamer te beinvloeden.

Mr. Drs. Eugene Romijnders en Dr. Joan Doornebal, Sectorgroep Bouw en Onroerend Goed, Moret Ernst en Young Utrecht. Tel.: (030) 258 81 15.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels