nieuws

Onpersoonlijke variatie verkoopt altijd nog het beste

bouwbreed

den haag – Voor architecten en aannemers zal het vak veranderen, nu ’s lands grootste ontwikkelaar van woningen de klant meer keuzevrijheid wil bieden. Vooral architecten krijgen het moeilijk.

Hou het huis zo onpersoonlijk mogelijk, dan is het in de toekomst beter verkoopbaar. Deze goede raad stond in de handboeken voor Amerikaanse pioniers die hun eigen huis wilden bouwen. Voor wie toch uitdrukking wilde geven aan de eigen voorkeur bood het favoriete handboek dat de plantenkweker Downing in 1850 schreef keuze uit tweeendertig types, van een arbeidershuisje tot en met een villa in romaanse stijl.

De Amsterdamse woonatlas die enige jaren geleden verschillende woningtypes suggereerde voor verschillende leefstijlen heeft dus historische wortels. Na die Amsterdamse Atlas verscheen er trouwens ook nog een voor Flevoland en voor Brabant. Blijkbaar niets zo veranderlijk als een leefstijl. Ook de aanbieders van cataloguswoningen hebben in die gesystematiseerde zelfbouw hun historische wortels. En waarschijnlijk doet nog steeds de conclusie van Downing opgeld dat de schoorsteen, de veranda en de ramen de onderdelen zijn die het sterkst het karakter van een huis typeren.

Dat het een plantenkweker was en niet een architect die de weg wees, is kenmerkend. Architecten hebben nooit veel op gehad met kleine huisjes. Wel met villa’s, maar dat is een geheel ander hoofdstuk. Zeker in Nederland is het beroep van architect sinds begin deze eeuw verbonden met massa-woningbouw.

Voor aannemers ligt dat anders, met name voor de kleinere die de traditie voortzetten van de vele timmerlieden/architecten die er eind vorige eeuw waren. Nog steeds zijn er plaatselijke bedrijfjes die bescheiden huizen op maat kunnen neerzetten tegen een concurrerende prijs.

Vanuit de aannemerij ook heeft zich de catalogusbouwer ontwikkeld. Er zijn aanbieders van vaste woningtypes tegen een vaste prijs, maar er zijn er ook die vrij ver gaan in het aanbieden van vrijheid aan de klant om naar eigen inzicht te schuiven met binnenwandjes, de gevelmaterialen te kiezen en attributen als serres en erkers.

Maar de hoofdstroom van aannemers en architecten koos, zeker na de Tweede Wereldoorlog, een andere richting. Zij concentreerden zich op de ontwikkeling van seriebouw. De produktietechniek en niet de keuzevrijheid van bewoners kreeg de meeste aandacht. De kraanbaan dicteerde de hoofdvorm van flats en woningfabrieken draaiden met een gegarandeerde afname van standaardseries.

Ook binnen deze hoofdstroom was niet iedereen daar gelukkig mee. Ere wie ere toekomt: architect Habraken voerde al in 1961, in zijn boek “De dragers en de mensen”, de bewoner weer ten tonele. Die wilde hij meer zeggenschap geven. Dat kon volgens hem door drager en inbouw te scheiden. Het vaste skelet zou door de bewoners op de meest uiteenlopende wijzen kunnen worden ingericht en aangekleed. Kortom: het plan van Bouwfonds avant la lettre.

Actueler dan ooit is Habrakens inzicht: “Wanneer bewoners meer moeten kunnen beslissen moeten anderen (architecten, opdrachtgevers, bouwers, eigenaars en overheid) minder en anders beslissen.”

Habrakens tragiek is dat daarna bijna twintig jaar gezwoegd is op een te geperfectioneerd systeem, hoe precies dragers en inbouw te scheiden zouden zijn. Doel was de ultieme vrijheid om ook later alles te kunnen veranderen in een woning.

In de jaren tachtig is dit gedachtegoed een stille dood gestorven. Grote bouwers gingen ieder hun eigen weg in het ontwikkelen van enigszins flexibele, maar vooral gestroomlijnde technieken. Architecten gingen na deze flirt met bewoners over tot hun vak: Architectuur met een grote A.

Het resultaat zien we nu op Vinex: niet zozeer saaiheid, want het is Architectuur in alle denkbare idiomen, maar het is een buitenkant van een in hoge mate gestandaardiseerd produkt, waar bewoners weinig over te zeggen hebben.

Tegenover deze hoofdstroom hebben ondertussen catalogusbouwers aan macht gewonnen. Bij hen vonden bewoners wel gehoor. Zij brengen het vrijstaande droomhuis binnen bereik.

Om met rijtjeshuizen die concurrentie aan te kunnen is het historisch gezien logisch dat het Bouwfonds terecht is gekomen bij het gedachtegoed van Habraken: scheiding van drager en inbouw. Bouwfonds vermijdt daarbij Habrakens valkuil om eerst een geperfectioneerd bouwsysteem te verzinnen voor het hele land. Pragmatisch wordt per project de organisatie van de bouw verder ontwikkeld. Het zullen niet de grote systeembouwers zijn maar de kleinere aannemers die mee kunnen doen, verwacht Bouwfonds daarom zelf.

Historisch gezien kon het ook alleen een ontwikkelaar zijn, om met zo’n plan te komen. Alleen die staat los van het systeemdenken dat zowel architecten als aannemers, elk op eigen manier, beheerst. Netzogoed als het in de vorige eeuw een plantenkweker moest zijn om de marketing vorm te geven van specifieke woningen voor specifieke leefstijlen, nog voor dat woord bestond. Angst dat dit Belgische toestandfen oplevert in wilde wijken zonder samenhang is ongegrond. Mensen willen homogene wijken, blijkt ook uit het prioriteitenlijstje van Bouwfonds. Honderdvijftig jaar geleden wisten zij het al: onpersoonlijk verkoopt beter! Dat wil zeggen: gereguleerde variatie, zoals aan die mooie grachtengordels en in hoogst gewilde wijken als het Haagse Statenkwartier.

Toen had de timmerman/architect er geen moeite mee – ook nu zou die wel eens de meest flexibele partner kunnen zijn. En de architect? Ja, die krijgt het moeilijk. Die moet zijn eigen voorkeuren voor Architectuur ondergeschikt maken aan modellen die zoveel mogelijk variatiemogelijkheden bieden.

Literatuur:

C. Weeber. W. Vanstiphout: “Het wilde wonen”, uitg. 010. ISBN 90-6450-341-9

D. Bakker, C. Rapp: “Het kant-en-klaarhuis”. uitg. NAi Uitgevers. ISBN 90-5662-105-X

Reageer op dit artikel