nieuws

Onnodig duur advies?

bouwbreed Premium

Een deskundig advies kan soms leiden tot onnodig dure bouw. Heeft de benadeelde in zo’n geval recht op een schadevergoeding van zijn adviseur? En zo ja, op welke grond? Is er wanprestatie gepleegd of handelde de adviseur onrechtmatig, door een duurdere bouwmethode dan nodig was te adviseren?

Die vragen kwamen aan de orde toen een aannemer weigerde het door zijn adviseur in rekening gebrachte geld te voldoen. Op het moment dat de adviseur hem aansprak voor een bedrag van bijna 22.000 gulden, diende de aannemer een tegenvordering in met een veel hoger bedrag: 155.000 gulden. Hij vond dat de claim van zijn adviseur volledig teniet ging, omdat hij haar had verrekend met zijn schade-eis.

Berekeningen

Wat was er gebeurd? Voor een bouwproject van 114 woningen gaf de aannemer opdracht voor het opstellen van berekeningen en het maken van tekeningen voor betonnen prefab-elementen. Op dezelfde dag in mei 1994 vroeg hij de adviseur ook berekeningen te maken voor de funderingspalen en de toe te passen tunnelbekisting. Deze moest in de plaats komen van de oorspronkelijk bedachte wanden en breedplaatvloeren, omdat de nieuwe methode kostenbesparend zou werken.

Daarover vond op 7 juli 1994 een ‘tunnelbespreking’ plaats, in het gezelschap van een vertegenwoordiger van een betoncentrale. Er werd onder andere overlegd over de betonkwaliteit, die voor die nieuwe methode nodig zou zijn.

Daarna maakte de adviseur de gevraagde berekeningen en tekeningen. Ook van de ponswapening rond een kolom, die in alle woningen zou komen. De betonvlechter ging met deze tekeningen aan de slag en kwam in de problemen op de plaats waar de wapening diende te worden aangebracht. Volgens de tekening van de adviseur moest er een ponswapening komen over een veld van twee bij twee meter. Het veld diende te bestaan uit wapeningsstaven met een diameter van 22 millimeter en – hart op hart aangebracht – op 75 millimeter afstand.

Nadat aannemer en adviseur het werk ter plekke hadden bekeken, besloten partijen een geprefabriceerde wapening aan te brengen.

Vertraging

Een door de aannemer ingeschakelde derde deskundige kwam daarna tot de conclusie dat een veel lichtere wapeningsconstructie, bestaande uit versterkte stroken, kon worden toegepast. Ook kon volgens hem met een andere, goedkopere betonkwaliteit worden volstaan.

De aannemer dacht dat het nodig was om B 35 te gebruiken maar dat was dus niet zo. Hij toonde zich wel zo verstandig om eerst aan zijn opdrachtgever en adviseur te vragen of zij met de bouw volgens het nieuwe advies konden instemmen.

Dat leverde wel zes weken vertraging op in de bouw. Bovendien kon de nieuwe methode niet meer op alle 114 woningen worden toegepast omdat in een aantal ervan al de ponswapening of prefab-elementen zaten. Ook waren er al onnodig hogere kosten gemaakt vanwege – zoals achteraf zou blijken – toepassing van beton van de kwaliteit B 35.

De aannemer dacht eerst dat zijn schade nogal zou meevallen, want hij stelde zijn adviseur aansprakelijk voor een bedrag van 30.000 gulden. Binnen vijf maanden echter werd dat bedrag meer dan vervijfvoudigd!

Bij zijn tegenvordering voor dat bedrag baseerde de aannemer zich op wanprestatie. In de termen van het nieuwe Burgelijk Wetboek ‘een toerekenbare tekortkoming’.

Arbitrale conclusie

Een dergelijke tekortkoming verplicht tot schadevergoeding, zegt artikel 6:74 BW. De arbiters van de Raad vertaalden die grondslag van de eis zo, dat partijen dienden na te gaan of de adviseur verweten kon worden dat hij niet had gehandeld zoals verwacht mag worden van een met normale vakkennis uitgerust en zorgvuldig handelend adviseur.

Ze constateerden dat de door de adviseur opgestelde berekeningen voor de ponswapening voldeden aan de VBC-voorschriften voor deze wapening. Daarom kon hem niet worden verweten dat hij bij het maken van zijn berekeningen onzorgvuldig had gehandeld. Het belangrijkste verwijt van de aannemer aan zijn adviseur was echter dat hij een ponswapening had getekend, die voor zijn doel niet of nauwelijks kon worden verwerkt.

De drie arbiters van de Raad oordeelden echter dat de door de betonvlechter gesignaleerde problemen – door toepassing van de getekende ponswapening in een aantal woonblokken – fatsoenlijk waren opgelost Die arbitrale conclusie betekende dat de in de andere blokken toegepaste lichtere wapeningsconstructie een voordeel opleverde, maar dat het nadeel van de zwaardere niet op de adviseur kon worden verhaald.

“De adviseur heeft zelf voor een te zware constructie gekozen”, wierp de aannemer nog tegen. Dat leverde volgens de arbiters echter nog geen onzorgvuldig handelen van hem op. Zij verduidelijkten: “Dat zou pas het geval zijn als zijn opdracht duidelijk had gewezen in de richting van de lichtst toegestane wapening.”

Ook het advies om het te dure beton te gebruiken, leverde de aannemer niets op. Hij had volgens de arbiters niet kunnen bewijzen, dat de adviseur had gezegd dat alleen die kwaliteit mocht worden gebruikt. Dat kon dan hooguit een mondeling advies zijn geweest, want anders had het wel bij de tekeningen en berekeningen gestaan.

Voor de schade, die hij door de vertraging in de bouw had opgelopen, werd de aannemer ten slotte verwezen naar zijn opdrachtgever. Die bleek immers in eerste instantie verantwoordelijk voor de vertraging, omdat hij wel erg lang had gewacht met het geven van toestemming om de nieuwe wapeningsmethode toe te passen.

Zo kreeg de adviseur het honorarium voor zijn advies volledig toegewezen. Daarna zal hij best een rustig nachtje hebben gehad. Daarvoor zou hij wel eens gedroomd kunnen hebben van een rekening voor het gebruik van een zespersoons limousine, hoewel hij alleen maar een taxi had besteld. Nu weet hij dat hij had moeten zeggen: “Een taxi voor vier personen!”

(BR 1998 p. 970)

Reageer op dit artikel