nieuws

Overgangsregeling voor waardering vakantiebonnen zorgt hoofdzakelijk voor onrust

bouwbreed

Bouwvakkers en bepaalde groepen werknemers, bijvoorbeeld uit de metaalnijverheid, krijgen vakantiebonnen. Die komen in de plaats van vakantieloon en -geld dat andere werknemers normaliter krijgen. De werkgever moet deze bonnen tegenwoordig in principe voor 100 procent van de nominale waarde in de loonheffing en premies werknemersverzekeringen betrekken. In het verleden vond waardering plaats op driekwart van die waarde.

Die waardering is voor de werknemers voordelig en leidde er toe dat andere werknemers vonden dat hun vakantieloon en -geld ook maar voor driekwart moest worden belast. Procedures volgden. Vooralsnog heeft de fiscus die gewonnen. Het eindoordeel is nu aan de Hoge Raad.

Enkele jaren geleden besloot de toenmalig staatssecretaris van Financien Vermeend dat genoemde voordelige waardering van vakantiebonnen haar langste tijd had gehad. Slechts indien aanspraak op vakantiebonnen is vastgelegd op in een op 31 december 1996 bestaande of aansluitend naar strekking ter zake ongewijzigd voortgezette publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst, geldt een waardering van 75 procent. Voorwaarden zijn dat in voornoemde regeling of arbeidsovereenkomst is voorzien in vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeengekomen aanspraken. Bovendien moet de werkgever de bonnen regelmatig verstrekken bij de betaling van het loon. Belasting- en premieheffing over de waarde van die bonnen vindt dus plaats met het overige loon.

Vermeend heeft ultimo 1995 ook kenbaar gemaakt dat hij met belanghebbenden nader ging onderzoeken op welk percentage de waardering uiteindelijk moest uitkomen.

In 1998 heeft hij daartoe een regeling kenbaar gemaakt. Met ingang van 1999 zal het percentage jaarlijkse met 2,5 procent stijgen. Dit komt neer op de volgende staffel:

jaar waardering 1999 77,5 % 2000 80,0 % 2001 82,5 % 2002 85,0 % 2003 87,5 % 2004 90,0 % 2005 92,5 %

Netto lager loon

Bovenstaande leidt er toe dat de komende jaren de werknemer per saldo een steeds lager nettoloon ontvangt. Immers, de inhouding over de vakantiebon wordt zwaarder. Voor de werkgever, die het bonnensysteem hanteert, is het daarom zinvol zijn werknemers hieromtrent tijdig te informeren.

Vermeend denkt dat in 2006 de waarde op 96 procent zou moeten uitkomen. Naar verwachting zal er dus een korting (van tenminste 4 procent) blijven. Dit kan echter alleen voor rechtensystemen met voorfinanciering. Indien een vakantiebon steeds direct inwisselbaar is, is er geen reden voor een korting. Bij korte verzilveringsmomenten zal de gemiddelde financieringsduur beperkt zijn. Dit leidt dan tot een hoger percentage. Bij de definitieve vaststelling van de korting zal men rekening houden met de rentestand en de gemiddelde financieringsduur. Ook moet men rekening houden met de premies werknemersverzekeringen, het effect op een eventuele overhevelingstoeslag en de mate van aftrekbaarheid van betaalde rente voor de inkomstenbelasting.

Kortom, een definitief afscheid van de vakantiebon, valt niet te verwachten.

Tabellen

Naast de aanpassing op het punt van de waardering heeft Vermeend ook aandacht voor de speciaal voor de inhouding van loonbelasting en premies volksverzekeringen ontwikkelde tabellen voor vakantiebongerechtigden. Onder omstandigheden krijgt de bongerechtigde per saldo niet zijn volledige belastingvrije som en arbeidskostenforfait. Oorzaak daarvan is dat er per jaar een verschil kan zijn rond het gemiddelde van 235 of 245 tabeldagen, waarmee de huidige tabellen rekening houden. Teneinde met deze variatie optimaal rekening te houden zal voortaan bij de vaststelling van de tabellen elk jaar hiermee opnieuw rekening worden gehouden. Dit op basis van het te verwachten gangbare opnamepatroon van dagen van de ‘doorsnee’ vakantiebongerechtigde werknemer.

Overgangsregeling

Zoals hiervoor vermeld, is er een overgangsregeling. De belastingdienst legt deze regeling uiterst strikt uit. Indien een werkgever voor 1 januari 1997 niet gekozen heeft voor een bonnensysteem, kan hij op bovengemelde waardering volgens de belastingdienst geen beroep doen, indien hij na 1 januari 1997 alsnog heeft besloten, c.q. besluit, tot het verstrekken van dergelijke bonnen. Althans dit is de visie van de belastingdienst.

Sommige cao’s kennen voor aangeslotenen de mogelijkheid om al dan niet te kiezen voor een bonnensysteem. Andere cao’s kennen een dergelijke mogelijkheid niet.

De bouw-cao is dwingend: er is slechts een bonnensysteem mogelijk. De metaalnijverheid kent bijvoorbeeld echter zeven verschillende branches, waarbij slechts voor twee het bonnensysteem dwingend is voorgeschreven. De andere branches kennen een zogenaamde ‘en/of’-regeling. Werkgevers die voor 1997 onder een cao vielen met een en/of-regeling, moeten het bonnensysteem nog steeds kunnen toepassen. Immers niet het tijdstip van deelname, maar het tijdstip waarop de betreffende regeling in de cao is vastgelegd, is naar ons oordeel bepalend.

Ongelijkheid

Financien huldigt dit standpunt echter niet. Heeft de werkgever binnen zijn bedrijf – bij een keuzemogelijkheid in de cao – destijds niet gekozen voor een bonnensysteem, dan kan hij dit, aldus Financien, op een later tijdstip niet meer invoeren.

Een dergelijke visie leidt tot ongelijkheid binnen de bedrijfstak. Immers, hoe wordt bijvoorbeeld omgegaan met een nieuwe ondernemer binnen die bedrijfstak? Kan hij geen bonnensysteem toepassen, simpelweg omdat hij op 1 januari 1997 geen bonnensysteem had?

Een ander aspect is dat bedrijven die gaan fuseren ook met deze problematiek worden geconfronteerd. Indien de overnemer een bonnensysteem kent, doch het overgenomen bedrijf niet, geldt dan voor de overgenomen werknemers dat zij wel onder het bonnensysteem vallen? En wat, als een concern haar werknemers binnen de concernvennootschappen gaat herpositioneren in een vennootschap die al dan niet bonnen verstrekte?

Kortom, de fiscale overgangsregeling, zoals de belastingdienst deze uitlegt, leidt tot toevallige, niet logische effecten bij een strikte interpretatie van de overgangsregeling. In ieder geval ervaren velen dit als een discriminatie. De beoogde rust, die Vermeend met de invoering van de overgangsregeling wenste, is er dus nog steeds niet.

Mr. Jan D. Schouten, senior belastingadviseur Sectorgroep Bouw en Onroerend Goed, Moret Ernst en Young, Apeldoorn. Telefoon 055 – 529 14 00

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels