nieuws

Het verschil tussen een boeteaanbod en een boetebeding

bouwbreed

Een aannemer verklaart schriftelijk dat hij gebreken aan de bouw voor 1 februari 1994 zal herstellen en dat hij bij overschrijding van die datum 250 gulden per week zal betalen. Is dat nu een aanbod of een beding ? In het eerste geval moet het binnen een redelijke termijn worden aanvaard, zegt artikel 6:221 BW. Gebeurt dat niet, dan vervalt het aanbod.

Niet onbegrijpelijk beriep de aannemer, die uit eigen beweging die belofte had gedaan, zich op dat wetsartikel. Zijn opdrachtgever had er immers nooit op gereageerd maar daagde hem voor de Raad van Arbitrage omdat hij de geconstateerde gebreken aan het voor hem gebouwde huis niet op tijd zou hebben verholpen.

Al voor oplevering waren de gebreken geconstateerd door een deskundige van de Vereniging Eigen Huis. Hij had daarvan proces-verbaal opgemaakt, maar dat niet ondertekend; wel had hij het voorzien van het opschrift ‘voorschouw’, maar in strijd met de werkelijkheid als een proces-verbaal van oplevering aangemerkt. Dat stuk had geen bewijskracht maar het speelde in de procedure voor de Raad toch een rol van betekenis. Bij de oplevering maakte de aannemer zelf een lijst van gebreken, die door beide partijen werd ondertekend en dus wel bewijskracht had.

De opdrachtgever van de bouw eiste niet minder dan 10.500 gulden omdat de aannemer volgens hem de gebreken 42 weken te laat had verholpen. Om die eis af te weren beriep de aannemer zich dus op art. 221 van boek 6 BW. “Daarin kan ik u niet volgen”, reageerde de arbiter, die niet aan collega-arbiters kon vragen of zij die handicap ook hadden; het belang van de zaak was niet groot genoeg om drie scheidslieden erover te laten beslissen. De man zegt ook waarom hij dat niet kan. Nu vaststond dat het ‘beding’ (dat het echter niet was, omdat alleen een aanvaard aanbod als zodanig kan worden aangemerkt!) de opdrachtgever had bereikt en hij niet te kennen had gegeven dat hij met de inhoud niet akkoord ging, moest worden aangenomen, dat het aanbod (hier weer zo genoemd!) door de opdrachtgever, stilzwijgend was aanvaard.

Ik denk dat de arbiter te licht is gestapt in de bewering van de aannemer, dat hij een aanbod gedaan had. Hier was immers geen sprake van het begrip waaraan het BW de eis van aanvaarding verbindt. Een toezegging zoals die gedaan was hoeft niet, zoals een aanbod, eerst aanvaard te worden voordat men er een beroep op kan doen. De scheidsman had kunnen volstaan met te zeggen dat hier een aanbod was gedaan.

De opdrachtgever kreeg zijn ‘contractuele’ boete overigens niet toegekend door de arbiter. De aannemer had als tweede tegenwerping namelijk gesteld, dat met de door hem te herstellen gebreken die van de ‘voorschouw’ bedoeld waren. Hoewel dat proces-verbaal niet ondertekend was en bovendien sloeg op de situatie van bijna vier weken voor de oplevering, ging de arbiter ermee akkoord. De datum van de toezegging (in het vonnis weer boetebeding genoemd!) viel namelijk samen met de datum van de voorschouw. De toezegging tot herstel was immers op 22 december 1993 gedaan en kon dus nooit betrekking hebben op pas later geconstateerde (en vastgelegde) gebreken. Maar… zei de aannemer, ik heb niet alleen die in de voorschouw geconstateerde gebreken verholpen, ook die van de opleveringslijst. De scheidsman hoefde zich daar niet druk om te maken, want – nu het merendeel van op die lijst voorkomende gebreken niet vermeld was op die van 23 december 1993 – hoefde hij alleen maar te kijken of deze verholpen waren voor 1 februari 1994. Of dat zo was kon hij zien door beide lijsten met elkaar te vergelijken. Daaruit leidde hij af dat ook eind januari 1994 nog herstel was verricht. Omdat van de kant van opdrachtgever geen melding was ontvangen, ging de aannemer er van uit dat dit herstel tijdig en naar genoegen was gedaan.

Dat punt en het pas een half jaar later telefonisch melden dat er nog gebreken resteerden, brachten de scheidsman tot de conclusie dat er geen aanspraak op het geeiste boetebedrag kon worden gemaakt. Het ging toen immers alleen nog om het dichtzetten van de kilgoot (Van Dale kent het woord niet, maar dat geldt ook voor de ‘voorschouw’, waarvan als enige betekenis wordt vermeld: helderziendheid in de toekomst!). Dat had zo weinig te betekenen dat er geen aanleiding was tot boete-veroordeling. Wel bleek in de procedure dat de aannemer een kleiner perceel had geleverd dan overeengekomen. Na de kadastrale meting was duidelijk geworden dat er niet de in de overeenkomst vermelde 290 vierkante meter grond was geleverd, maar slechts 277. Het beroep van de aannemer op het feit dat in die overeenkomst voor 290 het woordje ‘circa’ stond en het bepaalde dat dat een verschil tussen de werkelijke en de opgegeven maat geen aanleiding geeft tot enige rechtsvordering, werd niet gehonoreerd. Volgens de arbiter sloeg het bepaalde aantal te leveren vierkante meters op de omvang van het kavel. Alleen als een ander dan het overeengekomen perceel geleverd was zou dat beroep van de aannemer op de maataanduiding ‘circa’ en op de uitsluiting van een beroep op ondermaat opgegaan zijn.

Mij ontgaat het verschil tussen het leveren van een, door de kleinere omvang, van de overeenkomst afwijkend kavel en het leveren van een overeengekomen, maar toch kleiner kavel. Dit verschil leverde de opdrachtgever in plaats van de geeiste boete in ieder geval nog ruim 2200 gulden op.

Dit arbitrale vonnis blinkt in ieder geval niet uit in juridische schoonheid.

(BR 1998 p. 781) Mr. Math Verstegen

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels