nieuws

Mes van stroom ontwikkelingsgelden naar Afrika moet snijden aan twee kanten

bouwbreed

den haag – De belangstelling voor Afrika blijft groot. De Nederlandse verkopen en inkopen aan en uit Afrika bedragen 1 tot 1,5 procent van het bruto nationaal product (BNP). “Dat is niet zoveel,” beaamt dr. Louis Hoogeveen, “maar het gaat wel om producten waar winst op zit. Het is een aanvulling op fabrieken die toch een redelijke bezetting hebben. Op die manier kunnen deze ondernemingen hun export op peil houden.” Afrika blijft volgens de vice-voorzitter van de Netherlands-African Business Council (NABC) nog heel wat ontwikkelingsgeld ontvangen, waarvan de Nederlandse bedrijven eveneens kunnen profiteren.

“Kijk je naar het zelfstandige bestaan van de staten, dan moet je constateren dat die ontwikkelingshulp ze niet veel verder bracht,” zegt Hoogeveen. “Ze zijn nog even afhankelijk als dertig jaar geleden.”

Afzonderlijke projecten slagen daarentegen niet zelden. Het welslagen hangt voor een aanzienlijk deel af van de inzet van bedrijven. Op die manier kan in Afrika een middenklasse van kleine ondernemers en ambachtslieden ontstaan. “Dat is de bron van welvaart”, stelt Hoogeveen. “Niet de financiering van overheden.”

Bedrijven kunnen daaraan meewerken door het stichten van plaatselijke vestigingen. Dat is echter niet zo simpel, want het kan gebeuren dat door bepaalde omstandigheden het kapitaal niet terug komt.

Risico

De Nederlandse overheid beperkt dat risico door bijvoorbeeld overeenkomsten te sluiten die investeringen beschermen. “De Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) zou hier ook wat meer steun kunnen verlenen”, meent Hoogeveen.

“Nederlandse bedrijven kunnen Afrika helpen met de verwerking van (bouw)grondstoffen. De Nederlandse kennis van de agro-industrie is daar eveneens welkom. Te denken valt ook aan infrastructuur als havens en nutsvoorzieningen. Niet in de laatste plaats biedt Afrika ruimte voor toeristische ontwikkelingen.” Alle grote Nederlandse ingenieursbureaus hebben in Afrika een vestiging of een samenwerkingsverband met plaatselijke bureaus. Die werken evenwel vaak met hulpgelden van bijvoorbeeld de Wereldbank en de Afrikaanse Ontwikkelingsbank.

Steun

Nederland verstrekte in de afgelopen jaren volgens Hoogeveen slechts ‘secundaire’ steun aan exporterende bedrijven.

“Voorop staat ‘de arme mens in Afrika’. Steun zou zeer welkom zijn omdat zakendoen in Afrika doorgaans niet zo makkelijk gaat. De overheid beperkt de inbreng tot het ministerie van ontwikkelingssamenwerking en de FMO. Van particuliere organisaties als de Novib valt niet zoveel te verwachten, al staan die niet meer zo vijandig tegenover bedrijven als vroeger.” De NCM verzekert het gewone debiteurenkrediet. Het landenkrediet loopt via de NCM naar de overheid. Hoogeveen: “In dit geval doet zich de tegenstelling voor dat de overheid via programma’s de export naar bepaalde landen steunt die op de zwarte lijst van landenkrediet staan. Er bestaat inmiddels een fonds dat het commerciele krediet voor ontwikkelende markten garandeert. Bedrijven kunnen voor zo’n verzekering ook terecht bij enkele buitenlandse verzekeraars of bij een bank. De bijbehorende premie is evenwel aanzienlijk.”

De Afrikaanse grondstoffenindustrie maakt momenteel een moeilijke periode door nu een deel van de vraag uit Azie is weggevallen. Dat kan volgens Hoogeveen een terugval voor de hele economie betekenen.

“Het wil niet zeggen dat bedrijven nu dus niet naar Afrika moeten gaan. Op allerlei gebied doen zich daar behoeften voor. Het is wel onverstandig om direct met een grote fabriek te beginnen in bijvoorbeeld de kleine West-Afrikaanse landen. Eerst moet hun onderlinge samenwerking via de Ecowas verbeteren.” En dat gebeurt ook zoals ook elders in Afrika verbeteringen komen. In sommige landen groeit momenteel het BNP met 5,6 procent, zoals in Oeganda.

Niet overal in Afrika vindt Hoogeveen het kommer en kwel. Goed gaat het nog steeds in Zuid-Afrika, Ghana, Ivoorkust en Zimbabwe. “Kenia is eveneens uitstekend geindustrialiseerd, al doen zich daar momenteel politieke problemen voor. Kameroen stond eveneens op de lijst van goed boerende landen. Maar omdat er wat aan het bestuur mankeert, komt de economie in het gedrang.”

In nogal wat Afrikaanse landen lopen door bestuurlijke problemen stammentwisten en corruptie uit de hand. “In beginsel hoeft het daar niet slecht te gaan, want nogal wat mensen studeerden in Europa en deden daar bruikbare ideeen op. Met dat in gedachten is het ondenkbaar dat een continent met 600 miljoen mensen achterblijft.”

Nigeria staat nog steeds op de zwarte lijst. Hoogeveen hoopt dat er volgend jaar mei na de toegezegde verkiezingen een democratischer bestuur komt. De NABC wil dan een handelsmissie naar het land sturen. “Het biedt met 111 miljoen inwoners een aanmerkelijke markt. Daar moet je je niet te laat presenteren; de reden dat zakenlieden inmiddels al de gang naar Nigeria maken.” Met grootschalige investeringen valt op korte termijn niet te rekenen. Temeer omdat in het verleden al een groot aantal grote projecten tot uitvoering kwam, inclusief de bouw van een nieuwe hoofdstad. Grote werken roepen volgens Hoogeveen niet zelden associaties op met verspilde ontwikkelingsgelden.

Bouwers

Dat laat onverlet dat op bouwers heel wat werk ligt te wachten. Daaraan schort het volgens Hoogeveen niet, in tegenstelling tot de middelen om rekeningen te betalen. “Het is misschien niet onverstandig om mensen zelf met Nederlandse kennis en management aan het werk te zetten. De behoefte aan schoon water is vele malen groter dan aan woningen en wordt ook een steeds groter probleem. Behoefte is er ook aan een goed functionerende riolering en waterzuivering.” Niet in de laatste plaats is er veel behoefte aan goed openbaar transport tussen de grote steden en het platteland. Dit voorkomt dat het platteland leeg- en de stad volloopt en er te zeer een beroep wordt gedaan op bijvoorbeeld de stedelijke nutsvoorzieningen. “Wil dat openbaar vervoer naar behoren functioneren, dan moeten ook de wegen worden aangepakt. Die zitten vaak vol kuilen die niet zelden klapbanden en ongelukken veroorzaken.”

Verbeteringen vallen vooral de Frans sprekende landen ten deel. Frankrijk bleef over het geheel genomen betrokken bij de voormalige koloniale gebieden. Hoogeveen: “Het Franse bedrijfsleven profiteert ook flink van die sterke band met Parijs. Kennis van de Franse taal en verhoudingen blijken verder essentieel voor deelname aan projecten van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank. De Portugezen nemen eveneens een niet onaanzienlijke positie in Afrika in. Naast Angola en Mozambique gaat het dan bijvoorbeeld om Equatoriaal Guinee en Guinee Bissau. Niet in de laatste plaats omdat de Portugezen goed in het lobbycircuit vooruit komen.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels