nieuws

Liever leerlingbouwplaatsen dan luchtkastelen

bouwbreed

J.F.H. Rouw, directeur van het samenwerkingsverband BOZ uit Zeeland, vergeleek woensdag 7 oktober in deze krant de opleidingscommissies van de Stichting Vakopleiding Bouwbedrijf met luchtkastelen. Rouw toonde zich in dit stuk een geroutineerd schrijver, die zich van wat soms cynisch getint proza bedient. Leuk voor de argeloze lezer, minder aardig voor iedereen die het beste voor heeft met vakopleiding. En dat zijn er gelukkig heel wat!

In het algemeen is het onverstandig om via krantenkolommen met elkaar in discussie te treden. We doen het in dit geval toch, omdat het artikel van Rouw duidelijke onjuistheden bevat.

Met 56, veelal deskundig geleide samenwerkingsverbanden in het land kan de bouw inderdaad trots zijn op haar opleidingsstructuur. De Stichting Vakopleiding Bouwbedrijf (SVB) beschouwt die samenwerkingsverbanden dan ook als zeer belangrijke partners in de regio. Echter, vakopleiding is een zaak van werkgevers, werknemers en het onderwijs en moet dat blijven ook.

Die drie partijen bepalen in het SVB-bestuur het landelijke beleid. In de regio was voor de tripartite Regionale Opleidingscommissies (ROC’s) bouw altijd een duidelijke taak weggelegd naast de samenwerkingsverbanden. Met activiteiten op terreinen die niet direct door het samenwerkingsverband worden bestreken, zoals adviezen over instroom, voorlichting over alle beroepsopleidingen in de bouw, promotie van leerlingbouwplaatsen en contacten met bedrijven die geen lid van een samenwerkingsverband zijn. Helaas zijn dat er nogal wat!

De Wet educatie en beroepsonderwijs heeft geleid tot een andere rolverdeling. De verantwoordelijkheid voor de praktijkopleiding ligt nu daar waar hij hoort; bij de bedrijven en de samenwerkingsverbanden. De SVB heeft gezorgd voor een goede overdracht van taken en leidt veel leermeesters op om bedrijven optimaal uit te rusten voor hun nieuwe taak. Rouw vraagt om kwaliteit en efficient werken. Wat ons betreft heel graag!

In het kader van nieuw beleid zijn de Regionale Opleidingscommissies bouw samengegaan met de regionale Arbeidsmarktcommissies. Dat leidde onder de vlag van de Sectorraad Bouwbedrijf tot achttien ROAC’s. Sociale partners hebben over deze structuur lang met elkaar van gedachten gewisseld. Gezien de duidelijke lijnen die vanuit werkgevers- en werknemersorganisaties naar de regio’s lopen, kunnen we ons niet voorstellen dat eventuele inbreng vanuit die regio’s is genegeerd.

De recent opgerichte ROAC’s verdienen van iedereen het voordeel van de twijfel. Ze moeten immers nog met hun feitelijke werk beginnen. De ROAC’s zijn volledig vrij in het oprichten van een subcommissie onderwijs. Vrijwel allemaal hebben ze dat inmiddels ook gedaan. Niet om over een extra praatcollege te beschikken of om de pot met presentiegeld te ledigen. Wel om de ROAC’s te adviseren bij beleidsaangelegenheden. Zaken die daarna door onder andere de samenwerkingsverbanden worden uitgevoerd.

Te gemakkelijk gaat Rouw in zijn commentaar overigens voorbij aan de arbeidsmarktaspecten, die ook een belangrijk onderdeel van het werk van de ROAC’s uitmaken. In zijn rekensommen neemt hij ook voetstoots aan dat alle 28 ROC’s-bouw als subcommissies onderwijs onder de achttien ROAC’s terugkeren. Dat maken de ROAC’s zelf wel uit! Overigens waren er enkele jaren geleden nog meer dan vijftig ROC’s-bouw met bijbehorende werkgroepen en is die structuur voor de totstandkoming van de ROAC’s al aanzienlijk ingekrompen.

Vast staat dat met de scholing in de bouw veel, heel veel bedrijfstakgeld gemoeid is. Jaarlijks zo’n honderd miljoen gulden, dat door werkgevers en werknemers wordt bijeengebracht. Het is toch niet meer dan logisch dat er dan ook een paritaire structuur moet zijn die toeziet op de juiste besteding van die gelden? Dat kan en wil een landelijk SVB-bestuur niet alleen.

Aanvullend op al het goede werk van samenwerkingsverbanden, zitten in de regionale commissies de kennis en de relatienetwerken die de vakopleiding nodig heeft om in gezamenlijkheid goed te functioneren.

Niet tegen samenwerkingsverbanden, niet als doublures maar samen, aanvullend. Bijvoorbeeld bij instroomadviezen. De behoefte aan nieuwe instroom in de bouw is vaak groter dan de actuele opnamecapaciteit van een samenwerkingsverband. Wie onderhoudt de contacten met niet-lidbedrijven van samenwerkingsverbanden? De cao-bouw geeft aan dat er toezicht moet zijn op de opleidingswerkplaats. Een samenwerkingsverband gaat toch niet zichzelf controleren? Ondersteuning vanuit de bedrijfstak bij de voorlichting op scholen is voor de SVB zeer welkom en aandacht voor scholing van werkenden past uitstekend in een tijd van ‘Een leven lang leren’. De cursussen 35b verkopen we inderdaad zelf wel, gelukkig in nauwe samenwerking met steeds meer samenwerkingsverbanden, hopelijk ook in Zeeland.

Kortom, de luchtkastelen van Rouw zijn veelal luchtballonnen, die wellicht eerder en beter via de NVOB- en VGBouw-structuren hadden kunnen worden opgelaten. Ze zijn gemakkelijk lek te prikken en de geur van gebakken lucht is dan snel verdreven.

Terecht constateert Rouw dat leerlingbouwvakkers weinig hebben aan oude wijn en nieuwe zakken. Om over vergadertijgers maar te zwijgen! Het zou beter zijn als we onze gezamenlijke energie zouden richten op waar het in opleidingsland werkelijk om gaat: voldoende leerlingen een goede opleiding in de bouw bieden. Bijvoorbeeld via leerlingbouwplaatsen, Zeeland! Zorgen voor een zo hoog mogelijk rendement van de opleidingen. Meer scholingsdagen in het kader van artikel 35b. Met alle ons beschikbare mensen en de structuren van de bedrijfstak is de SVB de samenwerkingsverbanden in Nederland, ook de BOZ, graag behulpzaam bij die belangrijke taken.

Wij hopen ook op een andere manier nog van Rouw te horen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels