nieuws

Hoeveel betalen bij ontslag?

bouwbreed Premium

Een arbeidsovereenkomst kan beeindigd worden door opzegging of door middel van een ontbindingsprocedure bij de kantonrechter. Veelal wordt bij een ontbinding een vergoeding toegekend aan de werknemer. Tot enige tijd geleden was het onduidelijk hoe deze vergoeding berekend werd. Kantonrechters pasten immers verschillende methoden toe en kwamen daarbij tot totaal uiteenlopende uitkomsten. Hierdoor ontstond grote onzekerheid en heerste er onoverzichtelijkheid.

Op 1 januari 1997 is er duidelijkheid gekomen in de berekening van de vergoeding door de invoering van de kantonrechtersformule. Deze formule is een aanbeveling van de kring van de 160 kantonrechters in Nederland. Hieronder wordt ingaan op de inhoud van de formule en de recente aanpassingen hierop.

Kantonrechtersformule

De kantonrechtersformule luidt: A x B x C

A (gewogen dienstjaren)

Voor de berekening van de factor A wordt de diensttijd van de betrokken werknemer afgerond op hele jaren, waarbij een periode van een half jaar en een dag telt als een heel jaar. Vervolgens worden de dienstjaren op de volgende wijze gewogen: dienstjaren voor het 40e levensjaar tellen voor een, van het 40e tot het 50e voor anderhalf en elk dienstjaar vanaf het 50e telt voor twee. Peildatum voor de leeftijd van de werknemer zal zijn de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

B (beloning)

Bij de berekening van de factor B wordt uitgegaan van het bruto maandsalaris, vermeerderd met vaste en overeengekomen looncomponenten, zoals vakantietoeslag, een vaste dertiende maand, een structurele overwerkvergoeding en een vaste ploegentoeslag.

In beginsel worden niet tot de factor B gerekend: het werkgeversaandeel pensioenpremie, de auto van de zaak, onkostenvergoedingen, tantieme, het werkgeversaandeel in de ziektekostenverzekering en een niet structurele winstdeling.

C (correctiefactor)

De correctiefactor maakt het de kantonrechter mogelijk de op basis van A en B gevonden uitkomst naar boven of beneden bij te stellen indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven. De hoofdregel is dat factor C bij een ‘neutrale’ of ‘kleurloze’ ontbinding gelijk is aan 1 (een).

Een voorbeeld van een neutrale ontbinding is het vervallen van een arbeidsplaats wegens een reorganisatie waarbij de ancienniteitsvolgorde in acht is genomen en zich geen bijzondere financiele omstandigheden voordoen. De factor C is 0 (nul) indien de kantonrechter van oordeel is, dat op basis van de bijzondere omstandigheden van het geval de toekenning van een vergoeding niet gerechtvaardigd is.

In de overige gevallen zal de kantonrechter een factor C hanteren op basis van zijn beoordeling van de bijzondere omstandigheden van het geval.

Het mag duidelijk zijn dat hiermee nog steeds een bepaalde onzekerheid bestaat over de uiteindelijk door de kantonrechter toe te kennen vergoeding.

Formule aangepast

Nadat ongeveer anderhalf jaar met de bovenstaande formule inzake de vaststelling van de hoogte van de ontbindingsvergoeding ervaring is opgedaan, is deze door de kring van kantonrechters op 17 april jl. genuanceerd en aangevuld. Het betreft een verfijning van de aanbeveling over de correctiefactor voor gevallen waarin niet de werkgever maar de werknemer ontbinding verzoekt. Tevens zijn twee nieuwe aanbevelingen opgenomen: een over de verhouding van de ontbindingsvergoeding tot een sociaal plan en een over de kosten van rechtsbijstand.

Verfijning factor C

In de eerste versie van de aanbeveling is geen onderscheid gemaakt tussen verzoeken ingediend door de werkgever respectievelijk de werknemer. De vraag die de kantonrechters verdeeld heeft gehouden is, of de hoofdregel dat ‘de correctiefactor bij een neutrale of kleurloze ontbinding gelijk is aan 1’ ook moet worden toegepast ingeval een werknemer het initiatief neemt tot het indienen van een ontbindingsverzoek.

Indien deze hoofdregel onverkort op werknemersverzoeken zou worden toegepast, zou dit betekenen dat een werknemer in beginsel altijd aanspraak zou kunnen maken op een vergoeding gelijk aan C=1, zelfs als de ontbinding door hem wordt gewenst.

De kring van kantonrechters vond dit niet alleen maatschappelijk onaanvaardbaar maar ook juridisch onjuist omdat daarvoor onvoldoende rechtvaardiging bestaat. De toegekende vergoeding zou daarmee onbillijk kunnen zijn.

In de nieuwe aanbeveling wordt het antwoord op de bovenstaande vraag afhankelijk gesteld van twee factoren, namelijk:

ù ligt de reden voor de gewenste ontbinding in de risicosfeer van de werkgever of van de werknemer?

ù treft de werkgever of de werknemer een relevant verwijt ten aanzien van deze ontbindingsgrond?

Deze aanscherping betekent dat bij een werkgeversverzoek waarbij de ontbindingsgrond in de risicosfeer van de werkgever ligt (bijvoorbeeld een reorganisatie) zonder dat verwijtbaarheid aan de orde is, C gelijk is aan 1.

Bij een werknemersverzoek waarbij de ontbindingsgrond in de risicosfeer van de werknemer ligt is de C-factor gelijk aan 0 (nul). Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing van de werknemer om prive-redenen.

In ieder geval leidt deze aanscherping ertoe dat door werknemers niet zonder meer aanspraak gemaakt kan worden op een vergoeding. Wel blijft de kantonrechter de mogelijkheid houden eventuele verwijtbaarheid van een of beiden partijen danwel bijzondere omstandigheden in de C-factor tot uitdrukking te brengen.

Sociaal plan

De kantonrechter zal in geval van een ontbinding wegens een reorganisatie van het bedrijf een vergoeding toekennen overeenkomstig een toepasselijk sociaal plan, ook al wijkt de uitkomst af van de volgens de formule berekende vergoeding. Als voorwaarde geldt dat het sociaal plan schriftelijk dient te zijn overeengekomen met de representatieve vakorganisaties en eventueel met de Ondernemingsraad.

De kantonrechter mag het sociaal plan terzijde stellen, indien het leidt tot een evident onbillijke uitkomst voor de betrokken werknemer. Te denken valt daarbij aan de gevallen dat niet of nauwelijks rekening is gehouden met een zeer lang dienstverband, dan wel met een handicap van de werknemer. Is dit laatste het geval, dan zal de vergoeding volgens de formule berekend worden.

Kosten van rechtsbijstand

Tot slot zullen de kantonrechters vanaf 17 april jl. geen aparte vergoeding toekennen voor de gemaakte kosten van rechtsbijstand, tenzij deze tussen partijen is overeengekomen. Dergelijke kosten dienen volgens de kantonrechters in een aparte bodemprocedure gevorderd te worden.

Tot slot is nog van belang dat de kosten van rechtsbijstand doorgaans geacht moeten worden gemaakt te zijn ter verwerving of behoud van arbeidsinkomsten, zodat zij in beginsel fiscaal aftrekbaar zijn voor de werknemer.

Conclusie

De introductie van de kantonrechtersformule heeft meer duidelijkheid geschapen in de berekening van de vergoeding die een kantonrechter bij een ontbindingsprocedure aan een werknemer kan toekennen.

De hoogte van de vergoeding blijft echter enigszins onvoorspelbaar door de onzekere factor C.

Dit artikel is geschreven door mrs Anne-Marie van den Belt en Ilse Hoofman, beiden werkzaam bij Wouters Advocaten te Amsterdam, geassocieerd met Arthur Andersen Belastingadviseurs. Bij vragen kunt u de auteurs bereiken onder telefoonnummer (020) 503 97 97.

Reageer op dit artikel