nieuws

Berlijn lonkt met negentiende eeuwse blik Vervolg van pagina 1

bouwbreed Premium

berlijn – Het negentiende eeuwse decor van de Potsdamer Platz is het gezicht dat Berlijn graag van zichzelf laat zien. Maar wie Unter den Linden afloopt richting Alexanderplatz en verder het voormalige Oost-Berlijn in, ziet dat de stad veel gezichten heeft. In deze agglomeratie met 4,5 miljoen inwoners op een gebied van grofweg veertig bij veertig kilometer, is sprake van meerdere centra en een los weefsel van parken, industrieterreinen en moderne verkeersdoorbraken. Aan de randen verrijzen Vinex-achtige buitenwijken. Door dit alles heen speelt bovendien het verschil in rijkdom en bouwkwaliteit van het vroegere oost en west.

De inzet van de stedenbouwkundigen is om al deze losse eindjes van de stad in een “kritische reconstructie” weer samen te voegen tot een min of meer historisch stadsbeeld. Lichtvoetig is dat beeld niet. Voor de architectuur dient de negentiende eeuwse “Preusische Rohbau” als inspiratie, massief stenen architectuur met een puriteins karakter. Dit is het meest manifest in het centrum, vooral rond de Friendrichstrasse.

Op enige afstand van het centrum staat een wat mildere variant, bijvoorbeeld in de woningbouwprojecten van de “Wasserstadt” langs de Spree. De halfopen woningbouwblokken zijn ruim opgezet, met zorgvuldig aangelegde tuinen.

Een geheel eigen vorm van reconstructie tenslotte is te vinden in het voormalige Oost-Berlijn. Het grote probleem daar is de alomtegenwoordige industriele flatbouw – “Plattenbau” met betonnen gevelelementen van inferieure kwaliteit. Her en der blijkt met ‘vrolijk’ stucwerk de renovatie ter hand genomen. Dit in combinatie met wat wel eens is betiteld als ‘archipunctuur’: kleinere nieuwbouwprojecten waarvan de uitstraling moet zorgen voor een begin van revitalisering.

Innenstadt

De meeste aandacht trekt het werk in de binnenstad. Al was het maar omdat de resultaten van de “kritische reconstructie” daar het meest omstreden zijn. De reconstructie zou zich fixeren op een willekeurig punt in de geschiedenis. De recente tweedeling wordt uit het geheugen gewist en de huidige investeringsgolf geperst in keurslijf van bouwblokken uit de “wilhelminische” tijd.

Dat de reconstructie ‘kritisch’ zou moeten plaatshebben, namelijk met een interpretatie toegesneden op eigentijdse behoeftes en bouwtechnieken, komt niet erg uit de verf. Het glazen warenhuis Lafayette van de Franse architect Nouvel aan de Friedrichstrasse is mooi, zeker de glazen kegel die dwars door het interieur steekt, maar om diezelfde reden commercieel een mislukking. Meteen ontstond er ook een polemiek of glas en staal wel thuishoorden in het gereconstrueerde Berlijn.

Het verst daarin gaat architect Kollhoff, in Nederland zojuist onderscheiden met de BNA Kubus. Hij vindt dat gebouwen ‘gewicht’ moeten hebben. Het hangen van een natuursteen gevel voor een betonskelet gaat hem nog niet ver genoeg; de open voegen tussen de platen verraden dat dit slechts een decor is. Daarom heeft hij zijn panden in de Friedrichstrasse voorzien van natuursteen met dichtgesmeerde voegen.

Zo is het hele idee van kritisch reconstrueren vervallen tot haarkloverij en star dogmatisme.

Een van de slachtoffers van de al te rigide opvatting van reconstructie is de Londense architect Grimshaw. Die heeft aan de Fasanenstrasse, achter de de Kurfurstendamm, het nieuwe beursgebouw ontwierp. Het is een sensationele constructie van veertig meter hoge bogen waaraan de kantoorverdiepingen zijn gehangen. Senatsbaudirektor Stimmann heeft er persoonlijk op toegezien dat de bogen aan de Fasanenstrasse zijn afgewerkt met een rechte strook kantoren met de dakgoot op de juiste hoogte. Het is een verarming voor de stad dat zo de grillige “armadillo” (=gordeldier, de bijnaam van het gebouw) wordt getemd en opgeborgen.

De Italiaanse architect Rossi heeft het systeem verslagen door het tot in het groteske toe te passen. Zijn bouwblok op steenworp afstand van de Friedrichstrasse houdt zich keurig aan de rooilijnen en heeft dakgoot en noklijn op de voorgeschreven hoogte, maar lijkt verder een collage van de meest bonte gevels. Fel groen, geel en rood, zink, natuursteen en stuc wisselen elkaar af in een fantastisch ritme. Toppunt is de erin opgenomen kopie van de gevel van het Italiaanse Palazzo Farnese uit 1516. De gevels zijn geheel losgezongen van de achterliggende plattegronden, die een heel andere indeling volgen.

Het meest radicale project is de uitbreiding die architect Libeskind maakte voor het Berlijns Museum. De plattegrond ziet eruit als een bliksemschicht, of beter gezegd een uiteengerukte Davidster. Want het gaat hier om het Joods Museum en Libeskind heeft er een met symboliek beladen monument van gemaakt. De schicht trekt zich niets aan van rooilijnen of welke beperkingen ook. De metalen gevel is op willekeurige plekken opengekerfd, alsof het gebouw met een reusachtig mes is mishandeld. Het interieur is overigens verrassend neutraal en bruikbaar als museum, op enkele huiveringwekkende lege schachten na. Het verdiepingen hoge kale beton symboliseert de leegte die de uit Berlijn verdwenen Joden hebben achtergelaten.

Libeskinds museum is een unieke sculptuur en maakt het holocaust-monument overbodig, waarover al jaren wordt gesteggeld in Berlijn. Het project toont ook dat het zinnig kan zijn om anders te werk te gaan dan met louter “kritische reconstructie”.

Het gaat te ver om de resultaten van de reconstructie van de binnenstad geheel te verwerpen. Een stad is niet te maken met alleen maar buitenbeentjes als Libeskind. Het is omgekeerd: die uitzonderingen zijn alleen sterk als er een onderlegger is die neutraal is. Elke stad bestaat voor negentig procent uit onopvallend bind-weefsel. Het is in Berlijn een verademing dat architecten nu eens niet de hoofdrol voor zich kunnen opeisen.

Dat het nieuwe bindweefsel archaiserend is, heeft als bijkomend voordeel dat het van het beproefde soort is, geliefd bij een groot publiek. Daarmee worden onnodige risico’s vermeden waar het gaat om de appreciatie van deze giga-onderneming.

De strikte regels in Berlijn zijn bovendien nuttig om te voorkomen dat speculanten de leukste plekjes inpikken voor louter eigen uitroeptekens zonder samenhang. Dat veel kantoorruimte nu leeg staat, is pech voor ontwikkelaars maar niet voor de stad; de gebouwen vormen hoe dan ook een fatsoenlijk decor dat in de komende jaren ongetwijfeld op de een of andere wijze in gebruik wordt genomen. Zoals ontwikkelaar Hans-Karl Herr van ITAG Aktiengesellschaft zegt in de Bauwelt Annual: “De ontwikkeling rond Friedrichstrasse is een delicate verrijking van de omgeving en geen vergissing, al is het wel een serie slechte investeringen”.

Blokken

Twijfels of het zin heeft de bestaande moderne verkaveling van open stroken flats en losse torens, zowel in west als oost, in archaiserende blokken te persen, zijn wel terecht. Dat miskent de eigenheid van de moderne stedenbouw, die toch niet geheel en al zonder kwaliteiten is. Beter dan te reconstrueren wat nauwelijks zo was, is het optimaliseren van wat het moderne stedenbouw aan kwaliteit kan hebben: openheid, ruimte, groen.

Het is goed dat het plan van Koll-hoff voor de Alexanderplatz niet van de grond kwam. Investeerders zien (nog) weinig brood in de bakstenen molochen die hij heeft getekend om deze enorme stadsruimte op te vullen. Een ruimte die fascinerender is dan ooit, nu de omringende stad stukje bij beetje wordt geheeld.

Op plekken als de Alexanderplatz blijkt duidelijk dat Berlijn een stad is met veel gezichten. Daarom is een regime voor reconstructie onjuist. Stedenbouwers en architecten moeten veel meer van plek tot plek kunnen varieren op de aanwezige kwaliteiten. De strakke rooilijnen die in het Planwerk Innenstadt zijn getekend, lijken ook weinig rekening te houden met de veranderingen die in de loop van de tijd kunnen optreden. Hoe zullen de economische en culturele krachten hun weg zoeken? Welke nieuwe centra winnen aan kracht, welke verzwakken? Is het plan flexibel genoeg om dit soort wisselvalligheden op te vangen?

Speelruimte

Berlijn is een stad met nog enorm veel ruimte tot diep in het centrum – speelruimte die de toekomst onvoorspelbaar maakt. Op voormalig Oost-Duits grondgebied doen de dure winkels in de Friedrichstrasse alsof ze het hart van een kloppende metropool vormen, in plaats van een noodlijdende winkelstraat in een nog lege zone waar ooit de Muur stond. Drie straten verder is in het blok van Rossi de discount-supermarkt Lidl een leeg hol waar je niet voor je plezier ingaat. De enkele architectuurtoeristen die langskomen, deinzen geschrokken terug als de automatische deur openzwaait.

Het westers dictaat werkt nog niet goed in het oosten, zoveel is duidelijk. Maar dit was slechts het eerste offensief. Miljarden zijn in de stad gepompt om het ambitieniveau aan te geven met strikte stedenbouw en kwalitatief zeer hoogwaardige bouwwerken – de afwerking is stukken beter dan wij in Nederland gewoon zijn. Het is een perfect decor.

Ontwikkelaar Klaus Groth van Groth + Graalfs ziet het al helemaal voor zich: “Stel je een wandeling in 2002 voor. Het parlement is aan het werk in de Reichstag, de nieuwe kantoren voor de Kanselier en het parlement zijn klaar. Honderdtachtig ambassades, minstens zoveel aanverwante instellingen en vijfduizend lobbyisten hebben zich in Berlijn gevestigd. Stel je de drukte voor in de Friedrichstrasse en de Leipzigerstrasse die haaks daarop richting Potsdamer Platz loopt. Dat centrum alleen al zal vijf tot zeven miljoen bezoekers per jaar trekken met al hun overnachtingen. Dankzij de nieuwe snelle trein ligt Hamburg op slechts vijftig minuten afstand, Leipzig een uur. Telekom heeft 62.000 kilometer glasvezel gelegd, meer dan in enige Europese stad. Wie nu klaagt, moet gewoon in winterslaap gaan tot 2001. De mogelijkheden voor de komende generatie zijn onbegrensd.”

literatuur:

Bauwelt Berlin Annual 1996; uitg. Birkhauser; ISBN 3-7643-5664-2

Bauwelt Berling Annual 1997; uitg. Birkhauser; ISBN 3-7643-5843-2

C. Haberlik e.a.: Die baumeister des neuen Berlins; uitg. Nicolai; ISBN 3-87584-657-5

Reageer op dit artikel