nieuws

Aannemers moeten vraag meer beinvloeden

bouwbreed Premium

Het is geen eenvoudige kost waarmee VGBouw haar leden wil helpen het hoofd te bieden aan de snelle veranderingen in de bouwsector. ‘Toekomstscenario’s Bouwbedrijf’, leest niet als een Appie Baantjer. Zeker van de ongeduldige lezer die bij elke bladzijde denkt ‘wat moet ik ermee?’ wordt veel gevraagd. Toch zit er voor bouwondernemers die vat willen krijgen op hun toekomst niets anders op zich door de 80 pagina’s heen te worstelen. Het loont.

De eerste pagina’s over de belangrijkste verschillen tussen de bouwsector vroeger en nu, zijn nog redelijk licht te verteren. De meeste ondernemers zullen zich goed in de traditionele gang van zaken kunnen herkennen. De bouw was een prijsmarkt. Concurrentie op prijzen werd in de hand gewerkt door de uniforme wensen die de overheid stelde en de hieraan gekoppelde openbare aanbestedingsprocedures. Opdrachtgevers gaven als regel zeer gedetailleerde technische specificaties waardoor er weinig ruimte was voor samenwerkingsvormen (zoals co-makership). Er was nauwelijks sprake van lange termijn strategisch management; de nadruk lag op de korte termijn.

Tegenwoordig krijgt de aannemer te maken met een groeiende verantwoordelijkheid voor het eindproduct. Integrale procesbeheersing wint aan betekenis, maar dat neemt niet weg dat de meeste bouwers nog steeds functioneel zijn georganiseerd. De invloed van toeleveranciers neemt toe (nieuwe materialen en technologieen). Het gedrag van de opdrachtgever verandert. De overheid treedt terug, terwijl andere professionele opdrachtgevers vaak andere wensen en eisen hebben. Alle partijen die actief zijn in de waardeketen van het bouwproces willen naar voren schuiven.

Ingewikkelder wordt het verhaal als RRBouw verbanden legt tussen bestaande macro-economische scenario’s en de mogelijke uitwerkingen daarvan in de bouwsector. Ons eigen Nederlands Centraal Plan Bureau heeft niet stil gezeten. Het duizelt de lezer bij alle mogelijke ontwikkelingen, aangeduid met gewichtige kernbegrippen als Balanced Growth, Global Shift, European Renaissance, Global Crisis en meer van die termen.

Juist als de lezer zich begint af te vragen ‘wat zijn de grote lijnen?’, ‘wat gebeurt er bij samenvoeging van vergelijkbare scenario’s?’ wordt hij op zijn wenken bediend. Uiteindelijk houdt hij twee scenario’s over: hoogste groei en laagste groei. Het verschil tussen deze twee geeft aan wat volgens de onderzoekers de marges zijn op het terrein van toekomstige ontwikkelingen. Zo zullen bij hoge groei de individuele wensen bijvoorbeeld gevarieerder zijn dan bij lage groei. Hetzelfde geldt voor de kwaliteitsvraag. Terwijl in beide scenario’s de regionale markt even belangrijk blijft.

Nu de marges bekend zijn, is de volgende stap: nagaan in welke mate de huidige ondernemingen in de bouwsector ‘klaar’ zijn voor deze toekomstige bedrijfsomgeving.

Daarbij constateert RRBouw meteen het volgende probleem: de grote versnippering in de bouwnijverheid. Bouwconcerns met een omzet van meer dan een miljard gulden bestaan veelal uit een conglomeraat van kleinere, lokale ondernemingen.

Het lokale karakter is in een relatiemarkt een belangrijk element in de strijd om de gunst van de opdrachtgever. Kleinere bedrijven ontbreekt het aan contacten en netwerken buiten de eigen regio.

Bovendien spelen de structureel lage winstmarges de aannemer parten. Een kleine verstoring in het bouwproces is voldoende om het eindresultaat te doen omslaan in verlies. RRBouw spreekt van een vicieuze cirkel. Door de lage marges moeten bouwers noodgedwongen denken in termen van volume en capaciteit. Om daaraan te ontsnappen, zullen bouwers zich meer en meer richten op uitbreiding naar projectontwikkeling en projectmanagement.

De onderzoekers signaleren een merkwaardige tegenstelling in de bouw. Aan de ene kant wordt algemeen erkend dat de kwaliteit van het Nederlandse bouwproduct hoog is, evenals de efficiency van het bouwproces. Anderzijds ontbreekt het de Nederlandse bouwers aan innovatie.

De beste strategie is voor iedere onderneming anders, gelet op zijn eigen unieke eigenschappen, de marktomgeving waarin men opereert en de aard van de concurrentie. Desondanks onderscheiden de onderzoekers twee generieke strategieen die voor alle bedrijven opgaan: lage kosten en differentiatie. De lage kjostenstrategie is gebaseerd op de competentie die de onderneming heeft om op een zeer efficiente wijze producten/diensten te ontwikkelen, te produceren en in de markt te zetten. Differentiatie daarentegen is de competentie ervoor te zorgenb dat de koper het idee krijgt dat hij unieke en superieure waarde kan verkrijgen, in de vorm van productkwaliteit, after sales service, uniciteit van het product of kwaliteit van de organisatie.

De studie gaat uitvoerig in op de voor- en nadelen van het kostenleiderschap en de eventuele keuze voor de differentiatiestrategie. Welke strategie de voorkeur verdient, hangt in belangrijke mate af van de markt. Maar niet alleen van de afnemers. RRBouw geeft de bouwondernemers ernstig in overweging na te gaan of de vraag wellicht ook te beinvloeden is door het aanpassen van het aanbod. Moet de bouwer afwachten tot de opdrachtgever alleen maar op prijs selecteert om daaropvolgend zijn bedrijfsstrategie aan te passen? De onderzoekers geven zelf het antwoord: er liggen vele kansen voor ondernemers die op een slimmem wijze de actuele vraag (re-actief) in weten te vullen en tevens in staat zijn een latente vraag (pro-actief) te activeren en te benutten door het creeren van nieuw aanbod.

Dit is een samenvatting van de publicatie ‘Toekomstscenario’s Bouwbedrijf, te bestellen bij het secretariaat van VGBouw. Gratis voor leden, voor anderen – 25,- exclusief BTW en verzendkosten.

Reageer op dit artikel